Laatste Artikelen, Columns, en andere Geschriften

Een triggerdosis dodelijke pinda’s

-11 12 12
Illustratie Eliane Gerrits

‘De groentegazpacho, graag’, zegt mijn veganistische tafelheer als de serveerster de bestelling opneemt, „en een dressing zonder pinda’s.”

„Aha, een pinda-allergie”, zegt de serveerster, een iel meisje met piekhaar. Ze trekt een schriftje uit de zak van haar schort en maakt een aantekening. „Natuurlijk, daar houden we rekening mee.”

Is het een bizar toeval dat hier bij elk diner wel iemand met een pinda-allergie zit, terwijl me dat in Nederland zelden overkwam? Een serieus probleem, weet ik van mijn vriendin in Boston. Ze zegde haar baan op om haar zoon de klok rond te kunnen begeleiden. Van schoollunch tot zomerkamp, van verjaardagsfeestjes tot puberale middernachtelijke hongeraanvallen. Heb ik een keuze, vroeg ze me ooit. Hoe zou ik verder kunnen leven als hij aan zijn pinda-allergie zou overlijden door mijn stomme nalatigheid?

Terwijl de rest van de tafel smult van de zeetong à la meunière en de Lady Chatterley-oesters, vers overgevlogen uit Nova Scotia, prikt mijn buurman zonder vreugde zijn vork in een schaaltje vol ijsbergsla met enkele verpieterde schijfjes biet. Lokaal verbouwde organische groenten, stond er op het menu. Hij bestelt zijn derde glas wijn om het gemis te compenseren, terwijl hij hongerig om zich heen kijkt.

„Serveerster”, zegt hij tegen het langs snellende iele meisje, „ik wil graag wat brood bestellen.”

„Dat kan helaas niet,” zegt ze. „We kunnen niet garanderen dat het brood niet met een product in aanraking is geweest dat pinda’s bevat.”

„Geen probleem”, zegt mijn tafelheer. „Zolang er geen pinda’s in het brood zitten. Breng maar.”

„Aanraking met een product kan al een anafylactische shockreactie veroorzaken”, zegt het meisje, terwijl ze om de haverklap haar neusje optrekt. „We spreken dan van een ‘triggerdosis’.” Ze lijkt opeens veel steviger nu ze blijkbaar weet waar ze over praat.

„Luister”, zegt mijn tafelheer, „ik wil brood.”

Het meisje draait op haar hakken. Even denk ik dat ze gaat salueren tot ze linea recta in de keuken verdwijnt.

Nog geen drie minuten later verschijnt de chef. Een indrukwekkende gestalte die er in zijn witte gesteven schort vol bloedvlekken uitziet als een chirurg die uit een operatie is weggeroepen. Hij gaat zo dicht bij ons staan dat ik vanzelf mijn stoel opzij schuif.

„Het spijt me, meneer”, steekt hij met zijn zware bas van wal, „maar dit brood is mogelijkerwijs dodelijk. Wij van onze kant kennen onze verantwoordelijkheid.”

„Maar het is mijn leven”, roept mijn gast uit, inmiddels zo paars aangelopen dat ik vrees voor een hartaanval. Hij opent zijn tas en haalt er een Epipen uit die hij demonstratief in de lucht steekt. „Voor het geval dat”, zegt hij.

„Mijn tafelgenoot wil graag een stukje brood”, kom ik tussenbeide. „Kunt u hem dat niet gewoon brengen?”

„Helaas, dat gaat niet”, zegt de chef, op de toon van een arts die een hardleerse patiënt vertelt dat roken niet goed voor hem is.

Nog steeds zwaaiend met de Epipen gooit mijn buurman zijn glas wijn om. Het tafelkleed kleurt diepdonkerrood. De chef kijkt stoïcijns toe.

Ooit, toen ik zichtbaar in verwachting was, bestelde ik in Amerika op mijn trouwdag een glas champagne dat de ober me weigerde te brengen. Hij had ongetwijfeld gelijk, maar de betutteling riep het infantiele verlangen in me op om me onder zijn ogen eens goed te gaan bezatten.

„Kunt u míj dan brood brengen?” vraag ik in wanhoop.

„Dat ga ik voor u in orde maken”, zegt de chef zonder blikken of blozen. Even later zet het iele meisje een enorme schaal kadetjes voor me neer.

Mijn tafelheer zit inmiddels achterover in zijn stoel, zijn servet als een prop voor hem op tafel.

Het brood raakt hij met geen vinger aan.

Verschenen in NRC Handelsblad, 11 december 2012

Posted in: Columns
Deel dit artikel

‘Bless and release’

-4 12 12
Illustratie Eliane Gerrits

Vanavond ben ik niet in vorm. Ik herinnerde me op het laatste moment dat ik beloofd had naar dit feestje te komen en heb me gehaast. Mijn eerste fundraisersreceptie – orkaan Sandy heeft nogal wat mensen dakloos gemaakt. De huiskamer is gevuld met chic geklede gasten.

De keuken is in beslag genomen door de chef-kok en bedienden. De Spaanssprekende schoonmaakster kijkt schichtig weg als ik haar hand wil schudden. Ik voel me underdressed in mijn minirokje en wikkelvestje.

Bij het kennismakingsrondje versta ik de naam van de vrouw tegenover me verkeerd. Penelope Bond. Misschien komt dat omdat ze eruitziet alsof ze zo in een film kan spelen. Stirred, not shaken. Haar blonde lokken vallen natuurlijk op haar schouders. Effortless chic, zoals ze hier zeggen, opgemaakt dat het lijkt of er geen make-up aan te pas is gekomen. Onder haardesignerjurk prijken sportschoolkuiten en voeten in Louboutins.

Ik val midden in een gesprek.

„Prachtig, die ring”, zegt een dame die bij ons komt staan. Zilvergrijs haar, gehuld in een chanelmantelpakje.

„Ja”, antwoordt mevrouw Bond, terwijl ze haar gemanicuurde hand zo houdt dat iedereen de ring kan bewonderen.

„Dit is het geworden.” Aan haar ringvinger pronkt een enorme doorzichtige steen. Bijna een centimeter lang.

„Beeldschoon”, zegt de andere dame, klein en plomp in een bruin broekpak.

Stress and release”, zegt mevrouw Bond. „Wat anders kun je doen na de ellende die hij me heeft aangedaan.” De anderen knikken.

„Pardon?” vraag ik. „Waar gaat dit over?”

Nu wil ik het weten ook.

„Het is het aloude verhaal”, zegt ze. „Mijn ex verleidde me door al zijn charme en geld in de strijd te gooien, vroeg me in een tropisch paradijs ten huwelijk met een peperdure ring en, obla di la da, een paar jaar later hadden we twee kinderen. Ze konden nog niet lezen of schrijven toen hij ervandoor ging met een jongere versie van mijzelf.” De andere dames knikken instemmend.

„Het liefst had ik natuurlijk cold turkey met hem gebroken. Get out of my life, you bastard. Maar al gauw had ik door dat hij in mijn leven zou blijven. Al was het alleen maar vanwege de kinderen. Regelmatig vroeg ik me af wat ik toch met die ring aan moest? Ik dacht erover hem terug te brengen, maar ach, geld heb ik niet echt nodig. En toen kwam ik iemand tegen die precies op het juiste moment tegen me zei: Bless and release.”

Aha, ik had het dus verkeerd verstaan.

„Het komt erop neer dat je moet stilstaan bij het goede dat je relatie heeft voortgebracht en de ellende moet laten gaan. Zoals je een steen die de rivier blokkeert een zet geeft.”

„Het werkt”, zegt het broekpak, op haar tenen verend. „Ik heb hetzelfde gedaan met mijn alcoholverslaafde schoonvader. Een trap gegeven, zodat hij verdronk.”

Voor ik de kans krijg om uitleg te vragen, gaat mevrouw Bond verder: „Dat bedoel ik.”

„En toen ik door dat proces heen was gegaan, was het opeens ook glashelder wat ik met die ring aan moest”, vervolgt ze. „Ik ben regelrecht naar de juwelier gereden en heb hem laten vermaken. De setting is nu verguld.”

„Dus hij is echt”, flap ik er per ongeluk uit. Dit is werkelijk mijn dag niet. Ze fronst en voelt dan aan de ring.

„Hij ziet er wel nep uit, hè”, zegt ze, „als een stuk glas dat je op elke namaakjuwelensite voor een paar dollar kunt bestellen. Nou ja. Onze relatie was ook nep.”

Ze haalt de diamant van haar ringvinger en schuift hem aan haar middelvinger. „Die klootzak ook.”

Verschenen in NRC Handelsblad, 27 november 2012

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Tepelfruit en gesuikerde komijn

-27 11 12
Illustratie Eliane Gerrits

‘En dan snijd je de taart aan, terwijl ondertussen de merels luid fladderend ontsnappen, en dan… ahhh, puur genieten.”

Voor de zaal staat schrijfster Francine Segan met gesloten ogen. Het lijkt alsof ze daadwerkelijk die taart proeft. Terwijl ik naar haar kijk, meen ook ik de zoete en hartige ingrediënten te proeven die ze in geuren en kleuren heeft beschreven. Het water loopt me in de mond.

Segan, een frêle vrouw, is gehuld in een strakke, en toch klassieke jurk. Ze praat niet alleen met haar handen, zoals het een Italiaanse betaamt, maar met haar hele lichaam.

Het publiek dat op deze donkere maandagavond naar de warme zaal is gekomen voor een lezing over eten ten tijde van Shakespeare, hangt aan haar fluweelrood gestifte lippen, terwijl ze spreekt over flamingotongen, gebraden zwanen, pauwentaarten en andere lekkernijen. Beeldend beschrijft ze de meerdere dagen durende banketten, de tafels gevuld met wijnfonteinen, kastelen gemaakt van peperkoek en een cake in de vorm van een hert gevuld met ‘bloed’ gemaakt van gekruide wijn. Met haar zwoele stem leest ze voor uit eeuwenoude recepten en toont foto’s van gerechten die ze zo goed en zo kwaad mogelijk heeft nagemaakt in haar New Yorkse keuken.

„Het eten destijds was verrukkelijk”, zegt ze. „Die recepten hebben vierhonderd jaar in een verstofte bibliotheek liggen wachten totdat iemand ze weer tot leven bracht. Wat een variëteit. Wat een verrassende combinaties. Die creativiteit.”

Ze leest raadsels voor, die ze verstopt tussen de ingrediëntenlijsten aantrof, bedoeld om de maaltijd te verluchtigen. Ze zijn dubbelzinnig, op het schunnige af, maar uit haar mond klinken ze als poëzie.

Ik heb niets met koken, nooit gehad, en opeens vraag ik me af wat ik allemaal wel niet gemist heb. Maar Francine is nog niet klaar.

„Afrodisiaca”, vertelt ze, „daar waren mensen destijds volledig door geobsedeerd. Als voedsel warm was, werd je volgens hen van binnen ook warm. En dat was wat je nodig had in die toch wel barre tijden. Warmte alvorens je ’s avonds je kille bed in kroop.”

De heer op leeftijd naast mij maakt het bovenste knoopje van zijn overhemd open.

„Eten was vooral gericht op het bouwen van seksuele eetlust”, gaat ze verder. „Men kon eindeloos debatteren of gestoofde pruimen nu wel of niet de prestatie in bed verbeterden en welke kruiden het lichaam tot het kookpunt verwarmden. Men schroomde ook in het geheel niet om frambozen op het menu aan te kondigen als tepelfruit.”

Ik ben inmiddels gesmolten voor deze Italiaans-Amerikaanse Francine. Alsof het nog niet genoeg is, laat ze schaaltjes rondgaan met bijzondere combinaties. Ik doop mijn vingers in gesuikerde komijn en lik ze af. Ze kijkt glimlachend toe en leest ondertussen een citaat voor van een meneer die zijn tafelgenoten zag eten met een metalen ding dat eruit zag als een drietand. Zouden die mensen soms niet weten hoe ze fatsoenlijk met hun handen kunnen eten?

„Maaltijden begonnen met zoetigheid”, zegt ze. „Zoet opent namelijk de smaakpapillen.” Ik realiseer me opeens dat ik een ongelooflijke honger heb. Ook in de zaal wordt men onrustig. Iedereen valt voor Francines charme. Ze is zelf een afrodisiacum. Deze dame smaakt naar meer.

Na de vragen staat men in de rij om haar boek te laten signeren. De sfeer is ingetogen, mensen staan dicht tegen elkaar aan.

Dan is het eindelijk tijd voor het diner. Ik zorg dat ik als eerste bij de feestelijk gedekte tafel ben. Snel verwissel ik de naamkaartjes. Vanavond is Francine mijn tafeldame.

Verschenen in NRC Handelsblad, 27 november 2012

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Troost in barre tijden

-13 11 12
Illustratie Eliane Gerrits

‘Het is wat hè, leven zonder stroom”, begint de magere, ongeschoren man in de rij voor me tegen de dame die naast hem komt zitten. Hij ziet er verwaaid, verwilderd, uit. Zijn haar is vettig, het is zeker een week niet gewassen. Een geur van oud zweet hangt om hem heen. Zij daarentegen is een en al opgewektheid. Het type fris, kwiek en monter. Roze gestifte lippen en een slangenleren avondtasje. „Ach”, glimlacht ze, „weet je, ik heb tijdens de verbouwing een generator laten inbouwen. Dat bleek een goede investering.”

De man zinkt achterover in zijn stoel. De wollen sjaal die hij al twee keer om zijn hals heeft gewikkeld, draait hij er nog eens omheen. Zij schuift zo onopgemerkt mogelijk ver van hem vandaan. Dan gaat de gong en wordt het stil. We zitten in een tot de nok gevulde concertzaal. Het concert zou eigenlijk worden afgelast, maar op het laatste moment werd er een generator beschikbaar gesteld. De dirigent wendt zich tot het publiek. „Het leven moet doorgaan”, zegt hij, „juist nu. Muziek biedt troost in barre tijden.” De man voor me werpt een steelse blik op zijn buurvrouw die doet of ze niets merkt. Dan vullen de beginklanken de zaal. De marathon van New York is afgelast, maar hier speelt een voltallig symfonieorkest alsof er niets is voorgevallen.

De week zonder stroom is ook aan ons niet onopgemerkt voorbij gegaan. Op de eerste dag was er de verbazing. We konden écht niet meer mailen, televisie kijken of douchen.

Dag twee omarmden we de situatie. We maakten het huis gezellig, stookten de haard op, en brandden kaarsen. We keken zowaar naar elkáár, in plaats van een beeldscherm. Zomaar een dag vrij, best leuk. We hielpen de buren, brachten soep naar een oude mevrouw en ruimden de tuin op. Het had wel wat.

Dag drie waren we met die valse romantiek klaar en kwamen de irritaties. Hoe moest ik mijn column schrijven, laat staan versturen?

Op dag vier begon de ontrafeling. De vriezer lekte en ging gruwelijk stinken. Autorijden deden we met mate. Benzine was schaars. In de krant lazen we dat mensen met elkaar op de vuist gingen bij een New Yorks tankstation.

Op dag vijf werden ook wij gewelddadig. Monopolygeld, aanvankelijk hebberig begeerd, werd boos door de kamer gesmeten. Jij speelt vals! Nietes, welles. Een glazen vaas spatte op de stenen vloer uiteen in duizend stukjes. Probeer dat maar eens zonder stofzuiger in het aardedonker op te ruimen.

Dag zes was pure ellende. We hadden het koud, voelden ons vies, en waren dat inmiddels beschimmelde brood spuugzat.

Na afloop van het concert lopen we de donkerte in. Een tweede storm heeft huisgehouden en voor een dik pak sneeuw gezorgd. Er is een pad van fakkels aangelegd tot aan de parkeerplaats. Halverwege staat de generator-dame. Ze heeft haar arm om de schouder van een vriendin gelegd. Zelfde type, maar van alles net iets minder. Minder make-up, minder opzichtig gekleed, minder hoge hakken.

„Dan kom je toch bij mij douchen, schat”, hoor ik haar luid zeggen, „en neem die leuke zoon van je mee.” Een eindje van haar vandaan, bij één van de fakkels staat de man die tijdens het concert voor me zat. Ontredderd staart hij voor zich uit. Zijn sjaal heeft hij nog eens extra om zijn magere hals gewikkeld.

Verschenen in NRC Handelsblad, 13 november 2012

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Rhapsody in Blue

-20 11 13
Illustratie Eliane Gerrits

Het mist wanneer ik vroeg in de ochtend in de trein stap die me van Princeton naar New York zal brengen. Tegenover mij zitten twee dunne meisjes in skinny jeans en Uggs dicht tegen elkaar aan. Naast me een zakenman die luid in de lucht pratend zijn bedrijf aanstuurt.

Traag glijden we langs Victoriaanse huizen die eruitzien alsof ze gisteren geverfd zijn. Een vrouw aan de andere kant van het gangpad opent haar laptop. Haar vingers bewegen over het toetsenbord als krabben over het zand. Het tikken van haar nagels heeft iets geruststellends.

Naast de eerste halte ligt een gigantisch autokerkhof. Voor de deur van een wasserette wacht een man met een volle wasmand. Een bleek jongetje van een jaar of drie zit aan zijn voeten. Voortdenderend passeren we een woonwijk. Tuintjes volgegooid met rommel. Aan de rand een fitnesscenter met dichtgespijkerde deuren. Langs het spoor verschijnt een fabriek; twintig verdiepingen zwartgeblakerd baksteen. Ooit was dit een bloeiend bedrijf, nu een decor voor een gruwelfilm.

De eerste hoogbouw verschijnt. Een jaren zeventig sfeer die me terugvoert naar de flat in de nieuwbouwwijk, waar destijds mijn boomlange oom op de zeventiende verdieping woonde. De zakenman naast me verheft zijn stem tegen een onzichtbaar persoon. De dunne meisjes delen een tube handcrème. Ze giechelen. De New Jersey Transit dendert verder. Zomaar opeens staat daar in een verloederde buurt een vakwerkkerkje dat uit de Zwitserse Alpen lijkt te zijn opgetild.

Een van de meisjes vertelt op gedempte toon over de jongen die het uitmaakte nadat hij met haar naar bed was geweest. Ik voel verontwaardiging, maar zij lijkt louter verdrietig. De zakenman slaapt inmiddels, licht snurkend. Zijn hand omklemt zijn telefoon.Watch your step, klinkt het bij de volgende halte. Bij de achterdeur van een gebouw zonder ramen wacht een groep zwarte mannen. De hoofden dicht bij elkaar gestoken. Allemaal hebben ze een zelfde plastic tasje in hun hand. Daarnaast staat een moskee goud te glanzen tussen grijze daken.

De haven meldt zich. Containers langs het spoor. Hapag-Lloyd. Even verderop een gigantische berg autobanden. The choice is clear, schreeuwen rode letters op een gigantisch reclamebord hoog in de lucht. We naderen Newark Liberty International Airport.Home of the humane society, lees ik op een poster naast de dienstregeling. De mevrouw aan de andere kant van het gangpad heeft haar laptop ingepakt en stapt uit.

„Volgende halte, eindpunt van de reis, we naderen de city”, roept de conducteur door de intercom. Plotseling heerst er onrust, als in een vliegtuig dat net is geland. Mensen pakken hun spullen bij elkaar en trekken hun jas aan. De zakenman maakt zijn oortelefoon los. De meisjes kleuren om beurten met dezelfde lipstick hun lippen donkerrood.

Kort daarna rijden we een lange donkere tunnel in. Ik ruik de lucht van verbrande pretzels, zoals ik in de trein naar Zandvoort de zee ruik. Onrust, verlangen, weemoed. New York, New York, so nice, they named it twice. Stad die nooit slaapt. Het klarinetcrescendo van Gershwins Rhapsody in Blue kondigt de stad aan. De trein komt schuddend tot een stop. Ik dring tussen de twee dunne meisjes naar de uitgang. Hun haar geurt naar appelshampoo.

Wanneer ik Penn Station uitstap is de mist opgetrokken en baadt de stad in helder licht.

Verschenen in NRC Handelsblad, 6 november 2012

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Indiaanse zomer

Weer keert het najaar en het najaarsweer, maar hier nog even geen donderbuien en grijze wolken. De bomen kleuren deze dagen dieprood, donkerpaars, knaloranje en goudgeel. De zon, die opeens volop schijnt, doet alle bladeren gloeien. We bevinden ons in een sprookjesland, een wonderwoud, een Technicolor Disneyfilm. Jazeker, de bomen zullen ook hier kale staketsels worden, metgezellen in donkere, korte dagen waarin we onze kragen zullen opzetten tegen de kou, onze handen diep in de zakken van onze winterjas gestoken. Ook hier vallen de bladeren met de onvermijdelijkheid van een natuurwet, maar niet voor ze nog één keer vlammen. Zoals de primaballerina die na een succesvolle carrière ten afscheid de sterren van de hemel danst, de acteur die de glansrol van zijn leven voor het laatst perfect neerzet. Daarna dwarrelen ze met zoveel tegelijk naar beneden, dat het met half dichtgeknepen ogen lijkt of het sneeuwt.

Vanochtend werd ik wakker van zonlicht dat fel in mijn ogen scheen. Het had de afgelopen week al gevroren, maar nu was het plotseling weer warm. Kanikeenkortebroekaan.nl, de site die mijn kinderen in Nederland steevast raadpleegden voor ze op de fiets stapten, zou hier een zwembroek adviseren. Eind oktober is het, en zowaar rokjesdag.

Indian summer noemen ze dit vreemde verschijnsel hier.

Waar het begrip vandaan komt, is onduidelijk. Een politiek incorrecte theorie is dat het te maken heeft met de verwarring van de eerste settelers. Deze Europeanen, de eerste nachtvorst al achter de rug, maakten zich op voor de winter en opeens was daar die aangename warmte. De seizoenen leken de andere kant op de gaan. Men kreeg de lente in de bol. Het zaaigoed werd uitgestrooid, bollen geplant. En net toen het werk gedaan was, kwam de kou. Een winter, veel strenger dan ze gewend waren, die alles deed bevriezen. Indian verwijst hier naar de Indianen. Onbetrouwbaar volk, dat je een gemene streek levert in de vorm van een namaakzomer.

Maar wij weten beter, en willen van deze toegift genieten. Helaas, zoals mijn leraar Duits in de brugklas op het schoolbord schreef: Des Lebens ungetrübte Freude wird keinem Sterblichen zuteil. Amerikanen kunnen niet leven met gevallen bladeren. Ze zijn hun een doorn in het oog. Gras moet te zien zijn, het asfalt van de wegen mag niet aan het oog onttrokken worden. En dus gaan ze en masse de paden op, de lanen in met blaadjesblazers. Dit zijn een soort omgekeerde stofzuigers, apparaten die je op je rug bindt, en die met kracht de bladeren van de aarde optillen en naar voren stuwen. De blaadjesblazende mannen – een vrouw heb ik dit werk nog niet zien doen – zwaaien met verbeten blik wild om zich heen met de blaastuit, totdat al dat moois op hoge bergen ligt. Dit alles maakt zo’n herrie, dat ze koptelefoons dragen om niet gek te worden. Zij wel.

Waarom zien ze niet in dat ze een bij voorbaat verloren strijd tegen de elementen voeren? Blaadjes vallen, omdat het nu eenmaal in de aard van blaadjes ligt om in de herfst te vallen, roep ik. Maar mijn geschreeuw dringt niet door de oorbeschermers heen. Oktober is hier niet alleen de mooiste maand, het is ook de luidruchtigste.

’s Avonds, als de apparaten zijn uitgeraasd, als de gazonnen groen glanzen in het avondlicht, trekken we erop uit. We zijn niet de enigen. Buurtkinderen rennen met rubberlaarzen door de bladerhopen, laten zich erin vallen alsof het sneeuw is en gooien de bladeren met twee handen de lucht in. Honden rennen ravottend rond. De zon dooft, er hangt een lage mist. Ik snuif de mossige, kruidige geur van de aarde op. Dan, opeens komt er een harde windvlaag die alle blaadjes weer de tuinen injaagt.

Verschenen in NRC Handelsblad, 23 oktober 2012.

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Alles heeft een naamplaatje

-Landscape 1453825821 Img 8608

Amerikanen hebben geen enkele terughoudendheid hun naam ergens op te schrijven.

Zo is er de categorie rijk en egomaan, met als meest opvallende Donald Trump, die een toren van goud liet bouwen midden in New York waar zijn naam in reuzenletters op geschreven staat. Eenmaal binnen doet het denken aan een boudoir in Versailles. Muren van roze marmer, koperen trapleuningen, spiegels overal. Alles blinkt en glimt. Je aandacht wordt onmiddellijk opgeëist door de waterval die van de vijfde verdieping naar beneden valt en waarover een voetgangersbrug loopt. Waar je ook bent, je kunt door het dakraam de hemel zien. Het zou me niet verbazen als elke baksteen persoonlijk door The Donald is gesigneerd. Wij nietige mensen – je voelt je er werkelijk een kabouter – kunnen er winkelen, eten, vergaderen en, als je bijvoorbeeld Miss World bent, logeren. Dit is trouwens slechts de Trump Tower. Toen hij eenmaal de smaak te pakken had, liet hij een eindje verderop de Trump World Tower bouwen. Nog hoger, zijn naam in nog grotere letters.

Dan is er de categorie rijke mensen die graag wat terug willen doen voor instellingen die ervoor gezorgd hebben dat ze die rijkdom konden vergaren. Dit volgens het principe learning, earning, returning – de basis van de Amerikaanse maatschappij, waar subsidie een uitzondering is. Als je bent afgestudeerd aan, zeg, Princeton, en je bent dientengevolge multimiljonair geworden, dan geef je met liefde een paar miljoen terug, mits je naam komt te staan op het theater, de op jouw kosten gerestaureerde vleugel van de bibliotheek, of een eetzaal.

Natuurlijk geven mensen ook zomaar. Omdat ze kunst belangrijk vinden bijvoorbeeld. Maar ook daar staat wat tegenover.

Hoe lang blijft mijn naam daar staan? vroeg een bekende weldoener van het Metropolitan Museum of Art, wijzend naar de plek waar het plakkaat zou verschijnen.

Voor de eeuwigheid, was het antwoord. En hoe lang duurt die eeuwigheid precies? wilde hij weten.

Vijftig jaar, kreeg hij ten antwoord, waarop zijn reactie was: Als je er vijfenzeventig van maakt, maak ik het geld over.

Giften komen in alle maten, van complete gebouwen tot een pianokruk. Er zijn maar weinig zaken zonder een koperen plaatje met de naam van de gever.

Ik werd als kind voorgehouden dat alleen gekken en dwazen hun namen schrijven op ramen en glazen. Zo niet hier. Ze zijn trots op wie ze zijn en wat ze bereikt hebben. Geen valse bescheidenheid. Waar Nederlanders zijn van het maaiveld, van de hoogmoed die voor de val komt, willen Amerikanen graag laten zien hoever ze boven die middelmaat zijn uitgestegen.

Overigens is er ook voor de minder bedeelden een manier om je naam te vereeuwigen, ook al vermoed ik dat die eeuwigheid korter duurt dan vijfenzeventig jaar. Dat kan door middel van een bankje. Amerikanen zetten nu eenmaal graag overal bankjes neer. Een prachtig vijvertje, een bos, een zandbak waar je peuter vrolijk taartjes bakt, en jawel, daar staat zo’n uitnodigend bankje. Maar net voor je neerstrijkt, kan je het niet laten te lezen wat er op het koperen naamplaatje gegraveerd staat. Voor Paul, die hier vaak zat te kijken naar de zonsondergang. Ook al is het midden op de dag, mijn gedachten dwalen af naar Paul, wie hij ook geweest moge zijn. Hoe zou hij aan zijn eind gekomen zijn, vraag ik me af, en wie heeft dat bordje voor hem geplaatst?

Het kan nog erger. In liefdevolle herinnering aan mijn neef John, die zo van de natuur hield. Moge hij voor altijd het ruisen van de bomen horen. Hoe kan je bij zo’n tekst nog een eigen gedachte hebben? Ik niet. Ik denk dan aan neef John. Ik meen zelfs zijn stem te horen door het ruisen van de bomen.

Verschenen in NRC Handelsblad, 16 oktober 2012.

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Meesterwerk achter bruin velours

-Landscape 1453825821 Img 8608

De man die de schilderijen komt ophangen is jarig. Negenenvijftig, vertelt hij, en blij wordt hij er niet van. Het verleden neemt zoveel ruimte in zijn hoofd in, daar kan de toekomst nooit meer tegenop. Zijn wat geaffecteerde uitspraak maskeert ternauwernood een rauw New Jersey-accent.

Om acht uur stond hij op de stoep, fris geschoren, niet te lang geleden geknipt en met een zorgvuldig gestreken overhemd met zilveren manchetknopen. Dat hij geen klusjesman is, geen blue collar worker, wordt me al snel duidelijk. Hij verwacht met egards behandeld te worden. Op zijn ecru suèdeschoenen loopt hij door het huis, waar ik per kamer de dingen op de grond heb neergezet.

„Mm”, zegt hij, en begint met de decoraties te schuiven. Hij heeft zo zijn eigen ideeën waar en hoe een en ander dient te hangen.

„Ervaring”, zegt hij, als ik mijn bewondering uitspreek over het resultaat. „Weet je, ik doe dit al vijfentwintig jaar. Ik heb Monets opgehangen, een Picasso. En niet in musea, nee, bij mensen thuis. Vorige week hing ik een De Kooning in een badkamer.” Hij zegt het met een mengeling van trots en verbazing.

Hij vindt overigens dat dit huis wel iets moois kan gebruiken, naast al die ingelijste kindertekeningen, de schets van het Academiegebouw in Utrecht en een prent van Einstein met suikerspinhaar. „Denk aan olieverf, een bijzondere setting.” Hij vindt het een beetje, eh.. boring.

Wanneer hij even later een pentekening van het Koninklijk Paleis op de Dam in zijn hand houdt, zegt hij: „Over Holland gesproken…” Hij buigt naar me toe, alsof hij me een geheim gaat vertellen. „Ik ken een dame, die van haar vader een schilderij van een zeventiende-eeuwse meester heeft gekregen.”

„Mooi cadeau”, zeg ik.

„Nou”, zegt hij, „deze vrouw is er anders helemaal niet blij mee. Ze heeft het al jarenlang achter een bruin velours gordijn in een donkere kamer hangen. Als haar vader komt doet ze het gordijn open. Alle andere dagen blijft het dicht.”

„Waarom?” vraag ik.

„Ze verafschuwt het”, zegt hij.

We zwijgen. Ik moet hier even op kauwen; hij doet dat vermoedelijk al jaren. „Verkopen is zeker niet aan de orde?” vraag ik.

„Niet zolang de vader nog leeft”, antwoordt hij.

„En”, vraag ik na een poosje maar, „is het inderdaad zo afzichtelijk, dit schilderij?”

„Dit is het mooiste schilderij dat ik ooit zag”, begint hij. „Het verbeeldt een bacchanaal. Nimfen, saters, wijnkruiken, nogal weinig kleding. Zeg maar, seks, drugs en rock-’n-roll uit lang vervlogen tijden.”

De uitdrukking op zijn gezicht verandert. Hij ziet er opeens als een schooljongen uit.

„Gelukkig koopt ze zelf ook veel kunst, deze dame”, gaat hij verder. „Afzichtelijke schilderijen, die allemaal moeten worden opgehangen. En dan belt ze mij. Natuurlijk moet ik dan altijd even dat bacchanaal controleren. Dan mag ik naar de donkere kamer en dan laat ze me alleen met dat schilderij, om te kijken of hij nog recht hangt. Een behoorlijk tijdrovende klus is dat…”

Als alles hangt, legt hij zijn gereedschap op een fluwelen doek en haalt een zakdoek uit zijn broekzak waarmee hij een paar druppels zweet van zijn voorhoofd veegt.

„Ik ben een geluksvogel”, zegt hij terwijl hij een pluisje van zijn broek plukt. „Ik ben de enige op de hele wereld die dit schilderij mag bekijken.”

„Ga je nog iets leuks doen voor je verjaardag?” vraag ik, als ik hem uitlaat.

„Nu we het er toch over hadden”, zegt hij, met een blik op zijn horloge. „Ik denk dat ik maar eens ga kijken hoe mijn favoriete schilderij erbij hangt.”

Verschenen in NRC Handelsblad, 9 oktober 2012.

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Schaamteloos patriottisch

-Article2 1 Large

Het mag een geweldig idee lijken, je kinderen ervaring laten opdoen aan de andere kant van de oceaan, toen ik gisteravond mijn dochter My Country, ’tis of thee hoorde zingen, gebeurde er iets met me.

Het was tijdens de eerste Back-to- school Night. Wij, haar ouders, waren via een keurige, handgeschreven brief uitgenodigd een schooldag in een notendop te volgen. Sinds de verhuizing wordt ze elke ochtend om half acht met een gele bus naar de John Witherspoon Middle School gebracht. Te midden van honderden ouders liepen we dus in razend tempo van de wiskundeklas met foto van Einstein aan de muur tot haar geschiedenislokaal dat op een mini-Louvre leek met Egyptische sarcofagen en Chinese ridders. Aan het eind van de avond kwam een uitsmijter waarover mijn dochter al een paar dagen geheimzinnig had gedaan: het schoolkoor trad op. Nieuwsgierig namen we plaats in het auditorium. Daar stond ze dan op het podium op de eerste rij te zingen, mijn inbetweenie – zo noemen ze hier meisjes tussen servet en tafellaken – met haar dunne beentjes, tussen alle andere inbetweenies, met over het algemeen veel molliger beentjes.

My Country, ’tis of thee herinner ik me van de televisiebeelden rond de inauguratie van Obama. Aretha Franklin die met pothoedje de ziel uit haar lijf te zingt terwijl bij iedereen het kippenvel over de rug en de tranen over de wangen liepen.

’Tis of thee, zoiets als ‘het is van u’, is een schaamteloos patriottisch lied op dezelfde tranentrekkende melodie als God Save the Queen. Er zijn, zoals met de meeste patriottische liederen, eindeloos veel coupletten – de boodschap dat dit land het beste is, kan niet duidelijk genoeg overkomen. De tekst van het eerste couplet, dat ze ten gehore bracht, luidt:

Sweet land of liberty,

Of thee I sing;

Land where my fathers died,

Land of the pilgrims’pride,

From ev’ry mountainside

Let freedom ring.

Nu was het mijn beurt voor kippenvel. Was haar grootvader, mijn dierbare vader, niet recentelijk overleden in, jawel, Nederland? Waar helemaal geen mountainside is.

„Weet je wel wie de pelgrims zijn”, vroeg ik, toen ze om negen uur moe haar tanden poetste. „Jazeker”, zei ze. Ze liet me haar US History-boek zien. Een gevaarte van zeker twintig kilo. New Jersey State Law schrijft voor dat elk kind de stof tot zich neemt. Ze sloeg het open. Bladzij een. De Pilgrim Fathers, lees ik. Ze laten er hier geen gras over groeien als het om inburgering gaat.

Met Kerst zijn ze gewend, stelde iedereen in Nederland me gerust. Ze was halverwege haar tweede week.

Even later staat ze met een wit snoetje in haar pyjama voor het bed.

„Vond je het leuk om mijn school te zien?” vraagt ze.

„Ik vond het geweldig”, zeg ik. „En je zong zo mooi.”

„Zal ik het nog eens zingen?” vraagt ze.

„Ik denk dat je beter kunt gaan slapen”, zeg ik. „Morgen moet je weer vroeg op school zijn.”

Stilletjes gaat ze liggen.

„Eén vraagje nog”, zeg ik. „Doen jullie iets met de vlag ’s ochtends?”

„O, dat”, zegt ze. „Elke ochtend klinkt Mr. Ingersoll door de intercom. Now all rise, zegt hij dan.”

„En dan?” vraag ik.

„Wacht, ik doe het voor”, zegt ze. Ze springt haar bed weer uit, gaat rechtop staan en houdt haar rechterhand op haar hart.

I pledge allegiance to the flag of the United States”, zegt ze plechtig.

„Zeg jij dat ook?” vraag ik.

„Natuurlijk”, zegt ze. „Het zou raar zijn om dat niet te doen.”

Ze gaat weer liggen. Net als ik denk dat ze slaapt, zegt ze: „Maar dat met mijn hand doe ik niet, hoor. Dat zou wél raar zijn. Dit is mijn land toch niet.”

Verschenen in NRC Handelsblad, 2 oktober 2012.

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Groene feniks

-Mkf Pia 1

„Princeton rijst als een groene feniks uit het lelijkste land ter wereld.” Zo beschreef de schrijver F. Scott Fitzgerald in 1927 deze studentenstad, waar hij als een blok voor viel. Sinds die tijd heeft dit beeld weinig aan kracht verloren. New Jersey mag zich dan trots de Garden State noemen, het is nog steeds een woestenij van raffinaderijen, vergane industriestadjes, anonieme kantoorgebouwen, goedkope appartementcomplexen en identieke shopping malls, alles aaneengeregen door een twaalf banen brede interstate snelweg. Het enige dat het leven hier onderscheidt is het nummer van de afslag.

„What exit, ma’am?”, vraagt de taxichauffeur dan ook, terwijl hij zich lachend omdraait. Het is een tot de draad versleten grap, die helaas niets aan waarheid heeft ingeboet.

Ik buig naar voren, forceer een glimlach en laat me weer achterover in de stoel vallen. De man is een geruststellende aanwezigheid. Alles is verzorgd aan hem, tot en met zijn kort afgevijlde nagels. Zachtjes neuriet hij mee met Aretha Franklin op de radio. Today I sung the blues. „She is the best”, zegt hij, met zijn zangerige stem die doet vermoeden dat hij uit het zuiden komt.

Buiten is het bloedheet, de temperatuur is ver boven de dertig graden, maar hij draagt een zwart pak, een kreukvrij smetteloos wit overhemd en een helderblauwe, strak dichtgeknoopte das. De airconditioning in de auto loeit en bezorgt me kippenvel in mijn zomerjurk met blote voeten in slippers.

„Kan de airco zachter?”, vraag ik. Of hij uit kan vraag ik maar niet; Amerikanen kunnen zich een leven zonder temperatuurcontrole niet meer voorstellen.

„Sure”, zegt hij, en zet de radio zachter.

Ik denk aan wat er aan deze rit vooraf ging.

De laatste keer dat ik de deur van het huis in Amsterdam waar ik twintig jaar woonde, in het slot liet vallen. De rit in de stromende regen naar Schiphol, de laatste sms’jes voor de stewardess me op de vingers tikte, de acht uur durende vlucht over de oceaan. De opluchting toen mijn rode koffer als allerlaatste, wiebelend op de band, arriveerde.

Ik herinner me een gesprek dat ik een week eerder, midden tussen de verhuisdozen voerde met een Amerikaanse vriend. „Verhuizen is goed,” zei hij. „Het verlost je van een hoop spullen die je niet meer nodig hebt, en je ontdekt allerlei brieven, foto’s en boeken waarvan je vergeten had dat je ze bezat. Beschouw het niet als een opgave, maar als een mogelijkheid voor vernieuwing.” Zou dat werkelijk zo zijn?

„Ah, Princeton”, klinkt het opeens opgewekt, en ik schrik op uit mijn mijmeringen. Soepel draait de chauffeur de afslag in. We rijden Washington Road in, een lange weg tussen wijde velden, en passeren Carnegie Lake, waarop een eenzame roeiboot strepen trekt in het gladde wateroppervlak.

De wereld om me heen is als bij toverslag groen. Bomen, grasvelden, een park met spelende peuters. Als we bij het stoplicht stilstaan, zie ik eekhoorns in vliegende vaart langs boomschors omhoog klimmen.

De chauffeur is opgehouden met zingen. Hij zet de airco uit en draait een raam open. De loomheid van de zomerdag waait de auto binnen. Zoete geuren komen uit ruisende bomen. Eindelijk kom ik op temperatuur, terwijl we traag de heuvelachtige weg omlaag rijden.

Dunne gotische torens steken trots boven de bosrand uit. Daarachter, nog steeds verscholen, maar niet lang meer, ligt de met klimop begroeide campus.

„Hier is het”, zeg ik. „Good luck”, zwaait hij me na. „Take care, be well.”

Daar sta ik, voor een Amerikaanse droom: een wit huis met een hek erom heen.

Ik knipper tegen het felle licht. De zonnewijzer op het koperen dak wijst het oosten aan, waar de restanten van mijn oude leven zich bevinden. Binnen loeit, ter verwelkoming, de airco.

Verschenen in NRC Handelsblad, 25 september 2012.

Posted in: Columns
Deel dit artikel
Saving Charlotte: A Mother and the Power of Intuition
Meld je aan voor af en toe een update van Pia op haar boeken, artikelen en optredens te ontvangen.