Laatste Artikelen, Columns, en andere Geschriften

Megalomaan rijkeluiskind

-5 3 13
Illustratie Eliane Gerrits

Hoe leger mijn bord raakt, hoe zichtbaarder de erop geschilderde dame. Een voluptueus naakt in een niets tot de verbeelding overlatende houding. Het bord van de oudere heer naast me toont gaandeweg steeds meer onderdelen van een poedelnaakte Jezus met exhibitionistische neigingen.

„Alles biologisch”, zegt hij trots, met volle mond terwijl hij er nog een wortel bijschuift. Hij kan het weten. Hij heeft niet alleen de borden ontworpen, hij heeft ook dit restaurant opgericht en tevens het beeldenpark waar het in staat. Seward Johnson, een telg uit de extreem rijke Johnson en Johnson-familie – die van de pleisters en de babypoeder – was vroeger het kneusje van de familie. Hij maakte geen enkele school af, werd ontslagen in het familiebedrijf, en toen het aankwam op de liefde, viel hij voor een totaal geschifte gold digger. Binnen de kortste keren woonden er twee minnaars in zijn huis, van zijn vrouw welteverstaan. Seward betaalde niet alleen hun kost en inwoning, maar zelfs enkele cruises. Dit alles om sterker te staan in de scheidingszaak. Hij huurde een fotograaf die zwart op wit bewijs van haar overspel moest maken, maar toen deze Sewards vrouw in flagrante delicto betrapte, pakte ze zonder aarzeling haar pistool en schoot de fotograaf neer.

Na de scheiding vond de gedesillusioneerde Seward troost bij een dame die hem suggereerde beelden te ontwerpen. De rest is geschiedenis. De Grounds for Sculpture, het beeldenpark waar hij mij en de rest van het gezelschap vanavond rondleidt, staat vol met de meest realistische sculpturen. Zo heeft hij bijvoorbeeld Le déjeuner sur l’herbe van Édouard Manet levensecht nagemaakt. Niet helemaal exact, want hij heeft zichzelf en een paar vrienden erbij geboetseerd. „We zitten op de achtergrond en drinken de wijn op”, vertelt hij zonder gêne.

Seward is zo’n kunstenaar die critici met liefde haten. Maar niemand kan om hem heen. Zijn werken die rond de 100.000 dollar kosten, gaan als warme broodjes over de toonbank. Kunst of kitsch, vraag je je voortdurend af terwijl je daar rondloopt en bijna over een op ware grote vrijend stel struikelt, maar als het de bedoeling is van kunst de kijker te ontregelen, dan is Seward daarin ruimschoots geslaagd. Het levensechte beeld van Marilyn Monroe met opwaaiende zomerjurk is pijnlijk om te zien. De witte onderbroek, de vlezige benen hebben iets buitengewoon onsmakelijks.

Nadat de borden zijn weggehaald, neemt Seward ons mee naar zijn heiligdom, het atelier boven het restaurant. Aldaar voel ik me gevangen in een levensechte nachtmerrie. Mona Lisa staart me indringend aan, haar bevroren glimlach oogt luguber. Seward daarentegen voelt zich als een vis in het water in zijn eigen beeldenwonderland.

„Ik zal je laten zien waar ik inspiratie krijg”, zegt hij. Hij leidt me een steile wenteltrap op. Boven doet hij een deur open en opeens bevind ik me in Arles, om precies te zijn, in de slaapkamer van Vincent van Gogh. De gordijnen, het tafeltje met de fles drank, alles is tot in de kleinste details nagemaakt. Net zo schots en scheef als het schilderij suggereert.

Seward, die zich nu eenmaal van niks en niemand iets aantrekt, strekt zich uit op het eenpersoonsbed en sluit zijn ogen. Wij kijken gebiologeerd naar het beeld voor ons. Daar ligt hij, het megalomane rijkeluiskind op leeftijd dat zijn eigen driedimensionale namaakwereld heeft geschapen. Perfect gelukkig.

Verschenen in NRC Handelsblad, 5 maart 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Shotgun

-26 2 13
Illustratie Eliane Gerrits

‘Als je niet doet wat ik zeg”, zei het jochie van vijf tegen mijn dochter, „haal ik mijn vader. Die heeft een shotgun en schiet je overhoop.” Ze had het jongetje tot dan toe wel schattig gevonden, hoewel wat eigenwijs. Maar het schattige was er nu vanaf. „Gaat-ie dat echt doen, mama?”

„Ik zou er maar van uitgaan”, antwoordde ik. Voor de zekerheid. Vanaf dat moment meden we het jochie en vooral zijn vader, die we eerst nog een grappige, hoewel strenge vrijbuiter hadden gevonden.

Dat alles was een paar zomers terug, in Colorado, een staat in het Wilde Westen waar iedereen tevreden op een ranch leeft en ongedierte en gespuis naar believen van het erf af schiet. Maar als je er niets te zoeken hebt, vraag je er ook om. Af en toe schiet iemand per ongeluk zijn kind dood, omdat hij het voor een inbreker houdt. Heel vervelend, maar ja, dat is nu eenmaal all in the game.

Die reactie van de vijfjarige speelden mijn kinderen hier in huis regelmatig na als iemand niet wilde luisteren. „Als je niet doet wat ik zeg, haal ik papa met z’n geweer.” Maar toen die kleine jongens en meisjes in Newtown werden neergeschoten, was het opeens niet grappig meer.

Wat werd er op de school van mijn kinderen over dit drama gezegd? De officiële mening in dit beschaafde stadje luidt: weg met alle wapens. Maar dat is zoiets als de honger de wereld uit of vrede op aarde. Voor de meeste Amerikanen was dit gewoon een goed instrument in verkeerde handen. Onoordeelkundig gebruik van een volkomen veilig middel heette dat voeger, als je het condoom per ongeluk liet knappen. Velen denken dat de schietpartij voorkomen had kunnen worden wanneer de juffen en meesters een wapen hadden gehad. Vuurwapens zijn zo Amerikaans als apple pie.

Patriottisme in een gastland is moeilijk te begrijpen als buitenlander. Ik geloof dan ook helemaal niet in verplichte inburgeringscursussen. Stel je voor dat ik hier zou moeten leren schieten. Patriottistische liederen zijn het ergste. Die doen me de haren te berge rijzen.

Laatst vroegen de achterburen of we bij hen naar de Super Bowl wilden kijken. Natuurlijk gingen we. Ik wilde het wel eens zien: het optreden van Beyoncé, de nieuwe tv-reclames, en de wedstrijd niet te vergeten. Dit was zo’n Amerikaanse traditie. Op de bank met flesjes bier en minihotdogs voor de tv met z’n allen wachten tot de show begon. En toen kwamen ze het veld op in hun witte shirtjes, de kinderen van de Sandy Brook Elementary School in Newtown. Nog geen twee maanden tevoren hadden ze hun schoolgenootjes begraven en nu zongen ze, een beetje onzuiver weliswaar, America the Beautiful.

America! America! God mend thine ev’ry flaw. Confirm thy soul in self-control. Thy liberty in law.”

Over fouten, zelfcontrole en vrijheid gesproken. Ik zat me er over op te winden dat die kinderen zo werden gebruikt, tot ik doorkreeg dat ik de enige was van de gasten die hier moeite mee had. De achterbuurman zat te snotteren, zo prachtig vond hij het. De saamhorigheid, de gedeelde pijn. Tenslotte had het hele land dagen aan de tv gekluisterd gezeten om het drama van minuut tot minuut te volgen. Even was Amerika één.

De kinderen hadden diep ontroerd en verlieten het veld. Het spel begon. De Super Bowl als nationale catharsis. America! America! God mend thine ev’ry flaw. Misschien moet je er geboren zijn om erin te geloven.

Verschenen in NRC Handelsblad, 26 februari 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

La diva Renée

-19 2 13
Illustratie Eliane Gerrits

“Zijn ze niet beeldschoon”, vraagt mijn tafelheer. Ik bevind me op de vijftiende verdieping van een penthouse op Fifth Avenue, hoog boven het gekrioel in Manhattan. Hij doelt op de drie boeddhabeelden voor ons.

„Mooie jongens”, gaat hij verder. „Zo vrouwelijk met hun mollige bovenarmen en hun muffintop. Als je goed kijkt, zie je een halo om hun hoofd. Het symbool van hun goddelijkheid.” Mijn tafelheer, gehuld in een wit overhemd in wafelmotief en een zelfgestrikte vlinderdas blijkt de curator te zijn van het huismuseum van onze gastvrouw. Zij is een steenrijke weduwe, wier moeder operazangeres was, die graag mensen uit de verschillende werelden waaraan ze geld geeft bij elkaar brengt. Wetenschappers en kunstenaars dineren bij haar samen tijdens after-opera-etentjes. Tegenover me aan de met kristal en zilver gedekte tafel zit operadiva Renée Fleming. Ooit bewoog ik hemel en aarde om een kaartje te bemachtigen voor een uitverkocht optreden van haar in het Concertgebouw. Statig schreed ze de beroemde trappen af om één enkele aria ten gehore te brengen. Daarna vertrok ze weer even gracieus als ze verscheen. Het duurde niet langer dan zes minuten, maar ik was betoverd.

Ook vanavond betovert ze iedereen. De gastvrouw glundert als ze ziet dat Renée de gouden ketting draagt die ze speciaal voor haar ontworpen heeft. De kamer geurt naar La Voce, het voor haar gemaakte parfum. Een combinatie van passievrucht en chocolademousse die me doet zuchten. We worden omringd door onberispelijk geklede jongemannen die zo uit de Abercrombie & Fitch-kledingzaak om de hoek lijken te zijn weggeplukt.

Om discussie over mijn eetgewoonte te vermijden – ik heb besloten een maand veganistisch te eten – had ik van tevoren aangegeven wat in mijn dieet past. Maar mijn tafelheer laat zich niet zo makkelijk afleiden. Hij is uitermate geïntrigeerd door wat ik wel en vooral niet eet. Wat ik ermee wil bereiken om mezelf eieren, vlees, vis, zuivel te ontzeggen, wil hij weten. Hij gelooft me niet als ik zeg dat het om een bevlieging gaat.

Terwijl de rest van het gezelschap de wilde zalm verorbert, eet ik mijn sla met geraspte worteltjes op een bedje van waterkers. Wanneer ik daarna over mijn armen wrijf, spreekt de curator onmiddellijk een van de mooie jongens aan en voor ik het doorheb, wordt er een pashmina over mijn schouders geslagen. „Van afzien krijg je het koud”, zegt hij.

Na het hoofdgerecht, amandelen en vijgen voor mij, zeebaars voor de rest, legt hij vrij abrupt zijn mes en vork neer. „Kom”, zegt hij, „ik moet je iets laten zien.”

Hij pakt mijn hand, en sleurt me zowat mee de kamer uit. We lopen door een gang, maken een paar bochten en gaan dan een donkere ruimte in. Het is er kil en het ruikt chemisch.

„Hou je vast”, zegt hij, en knipt het licht aan. Voor ons staan weer drie boeddhabeelden. Maar dit drietal kan niet meer verschillen van de boeddha’s in de eetkamer. Botten steken door het vlees van hun uiterst magere lijven, hun buiken zijn hol, hun wangen ingevallen. De gezichten zijn zo angstaanjagend, dat ik het moeilijk vind ernaar te kijken. „Dit zijn de uitgemergelde boeddha’s”, fluistert hij. „Ze wilden verlichting bereiken door niet te eten. Je ziet ze hier dansen op de lijn tussen leven en dood in de hoop van beide verlost te worden.”

„Laten we maar teruggaan”, begin ik.

„Ja, hier krijg je kippenvel van, hè”, zegt hij.

Als we weer aan tafel zitten, wordt het toetje geserveerd. „Doe mij ook maar”, zeg ik tegen een van de mooie jongens. Renée geeft me een knipoog als we tegelijkertijd onze vork prikken in de bitterzoete chocoladedroom die haar naam draagt. La diva Renée. Even denk ik dat ik een halo boven haar hoofd zie.

Verschenen in NRC Handelsblad, 19 februari 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Cupcakes met vitamine D

-12 2 13
Illustratie Eliane Gerrits

Het is dinsdag, de dag dat Woman’s World weer bij elke kassa van elke supermarkt voor een habbekrats te koop is. Iedere week verkoopt dit blad de perfecte illusie: iedereen kan moeiteloos slank worden.

„Raak dertig pond kwijt zonder zelfs maar te proberen gewicht te verliezen”, staat er deze week op de voorkant. Vorige week was het zelfs „zonder hongergevoel drieëndertig pond lichter”. Altijd opnieuw dezelfde belofte, al tientallen jaren lang.

Op de voorkant een foto van ieders buurvrouw, die voor de afwisseling naar de kapper en de schoonheidsspecialist is geweest. Een gezonde Amerikaanse meid, niet te dik, maar ook niet te slank, vooral niet te mooi, en al helemaal niet sexy. Op jaloezie op dinsdagmiddag zit per slot van rekening niemand te wachten. De voorpaginamodellen zijn zo inwisselbaar, dat het even duurde voordat ik doorhad dat het niet telkens dezelfde vrouw is.

Mijn nieuwsgierigheid is onbeheersbaar. Als vanzelf word ik naar bladzijde tien gezogen waar het grote geheim van de week wordt onthuld. Vitamine D beïnvloedt de vetcellen, lees ik. Het blaast onze lekkere trek op en doet het buikvet wegsmelten als sneeuw voor de zon. En het makkelijke is, zegt de blonde Denise uit Wisconsin, moeder van drie kinderen die alles heeft geprobeerd op dieetgebied totdat ze dit ontdekte: vitamine D zit overal in. Eigenlijk ben je al met dit dieet begonnen, want vanmorgen had je toevallig al een glas melk op. En op de fruitschaal ligt nog een vergeten sinaasappel. Slik er gewoon een pilletje bij, zit wat meer in de zon, en jawel, je wordt even slank als Denise.

Denises voor-en-na-foto’s ontbreken natuurlijk niet. Op de foto links zien we haar met vet slierthaar in een grijs joggingpak uitgezakt op de bank hangen. Een zielig hoopje ellende. Op de foto rechts rent ze in een slank afkledend broekpak achter haar golden retriever aan. Haar wapperende haren glanzen in het zonlicht. Het verhaal is zo simpel en overtuigend, dat je echt geen excuus meer kunt verzinnen om zo’n geweldig advies niet uit te proberen. En dat elke week, voor maar 1 dollar 79.

Op dinsdag bespreek ik met mijn ietwat mollige hulp uitvoerig de nieuwste rage. Ze gaat straks op weg naar huis een potje vitamine D kopen, vertelt ze. Een kleine investering. Ze kan het toevoegen aan haar collectie potjes met frambozen ketonen, groenekoffie-extract, blauwgroene algen, rhodiola, resveratrol, en zo kan ik nog wel een poosje doorgaan.

Als ze klaar is met de was en de strijk, kijkt ze op de klok. De kinderen komen zo, zegt ze. Tijd om te gaan bakken. Woman’s World wordt opnieuw geraadpleegd, maar nu een ander deel van het blad: de recepten. Want dit tijdschrift jojoot even hard tussen afslanken en lekker eten als de doelgroeplezer. De kilo’s die in de eerste pagina’s zijn verloren, worden er verderop weer vrolijk aangegeten.

Enthousiast bladert ze langs met grote kleurenfoto’s gelardeerde recepten van dampende aardappelpuree overgoten met vette jus, pasta in romige Alfredosaus, kwarktaarten met kleurige versiering en chocoladetaart met glinsterend suikerglazuur, tot ze aankomt waar ze wil zijn: de cupcakes.

Binnen de kortste keren geurt mijn keuken naar chocola, suiker en gesmolten boter. Mmm, zegt ze, als ze de oven opent. Ze eet er een om te proeven en een om te keuren. Mijn kinderen lusten die veel te zoete en te kleffe Amerikaanse cupcakes helemaal niet, dus de rest zal ze morgen oppeuzelen. Maar, natuurlijk wel met een extra vitamine-D-pil.

Verschenen in NRC Handelsblad, 12 februari 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

De nieuwe psychedelische elite

-5 2 13
Illustratie Eliane Gerrits

De zoon van Oliver Stone, de beeldschone, bijna-dertiger Sean, is vanavond mijn tafelheer. Eind vorig jaar bekeerde hij zich tot de islam. Hoewel heel Amerika over hem heen viel en de CIA hem sindsdien nauwlettend in de gaten schijnt te houden, ziet hij zelf geen enkel probleem. Joods en christelijk opgevoed, omarmt hij even gemakkelijk deze variant van dezelfde god.

Tegenover hem zit zijn vader, die van de Westkust is afgereisd om een lezing te geven over zijn film Alexander. Of beter gezegd, zijn vele films over Alexander de Grote. Inmiddels is hij toe aan de vierde versie van deze telkens opnieuw neergesabelde flop. De Stones zijn in Princeton op uitnodiging van een classicus die bij de films adviseert. Maar Oliver ontstijgt met gemak de feiten. Om geschiedenis te schrijven heb je een creatief genie nodig, of het nu gaat over Vietnam, de FARC of Wall Street. Kennis over Alexander verspreiden is zijn queeste, de koning van Macedonië was de grootste vernieuwer ooit. Hij reisde naar het oosten en omarmde alles wat vreemd was.

„Amerika heeft zijn langste tijd gehad”, beweert Oliver tijdens het hoofdgerecht. „We wachten op een nieuwe Alexander die het wereldsysteem zal omgooien.” Hij neemt een fikse slok en werpt een verwachtingsvolle blik op zijn zoon, die ernstig knikt.

Aan de andere zijde van Sean zit een hoogleraar in de islam. Zij vraagt naar feiten, achtergronden, motivatie. Hij antwoordt met cryptische uitspraken als: „Filmsterren zijn moderne avatars.” Ze raakt zichtbaar de draad kwijt.

„Wat trekt je nu echt aan in de islam?”, vraag ik Sean tijdens het dessert.

„Wil je de waarheid weten?”, vraagt hij, terwijl hij zijn stoel naar me toeschuift. Hij vist zijn mobiel uit zijn binnenzak en laat me een foto zien. Ik zie een enorm raam, zoals op een vliegveld. Daarachter een vlek, een soort langwerpige wolk.

„Dit is een djinn”, zegt hij met een mengeling van respect en angst. Omdat hij aan mijn reactie merkt dat ik werkelijk geen idee heb waar hij het over heeft, legt hij uit dat djinns schepsels zijn van rook, waar geen vuur aan te pas is gekomen.

„Djinns kunnen goed- of kwaadaardig zijn”, vertelt hij.

„En, is deze aardig?”, vraag ik.

„Ik weet het niet”, zegt hij met iets van twijfel in zijn stem. „Maar ik ben op mijn hoede. Als ze willen, kunnen ze zo al je energie afpakken.”

„Is er een manier om erachter te komen?”, wil ik weten.

„Door openbaringen”, zegt hij, om dan te fluisteren: „Ik ben een sjamaan. Ik weet precies wat je moet gebruiken.”

„Je bedoelt drugs?”, vraag ik vrij naïef.

„Ayahuasca moet je hebben”, zegt hij en schrijft een naam op een servetje. „Bel mijn vriend en hij regelt het voor je.”

„Probeer het”, dringt hij aan. „Dan zie je geen vlek meer als je naar de foto kijkt, maar een geesteswezen.”

Opeens haalt hij uit zijn binnenzak een pocketboek tevoorschijn,The Cosmic Serpent. Buitenaardse wezens, drugs, openbaringen, slangenbrein, lees ik op de achterflap. Sean Ali Stone. Lid van de nieuwe psychedelische elite.

„Mijn nieuwe film over djinns zal een openbaring voor de wereld worden”, besluit hij. „Ik ben een ziener en een vernieuwer.”

Alexander de Grote keerde nooit terug naar het westen, maar vader en zoon Stone stappen op om hun vlucht naar L.A. te halen.

Behoorlijk aangeschoten neemt vader afscheid van me bij de deur. Schaamteloos laat hij zijn ogen over mijn lichaam glijden. „You have a great body”, zegt hij. En daar kan ik het voor vanavond mee doen.

Verschenen in NRC Handelsblad, 5 februari 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Een overvolle kar als rollator

-29 1 131
Illustratie Eliane Gerrits

“Nee, niet die, maar díé, met de zoetzure smaak.” De enorm corpulente man zit vastgeklemd in zijn rolstoel. Zijn dikke, opgezette benen doen het voetenplankje doorbuigen, zijn armen rusten als zoutzakken op het schakelbord. Zijn vrouw, eveneens moddervet maar nog wel in staat te lopen, hangt achter een overvol karretje, dat tevens als rollator dient. Ze reikt naar het schap en legt drie pakken van de correcte chips bovenop de overvolle kar. Er kan geen dankjewel van af. De man loert alweer naar het volgende item, de dipsauzen. Ik schat het stel ergens begin dertig.

Grocery is afgeleid van het Latijnse woord grossus, dat groot en veel betekent, zo vertelt Dr. Goodword die mij dagelijks een interessant woord mailt. Een grocery is immers een plek waar veel te krijgen is. Maar gross is een woord geworden dat afschuw uitdrukt. „Ew, gross”, zegt mijn dochter als ze ’s ochtends vroeg blootsvoets in de kattenkots trapt.

Voor mijn dagelijkse boodschappen kan ik naar drie supermarkten. De grootste, waar ik bovenstaand stel tegenkwam, is Wegmans. Je vindt er metershoge gangen met louter chipszakken, allemaalsupersized. Wij zouden aan één genoeg hebben voor een kinderpartijtje, maar ik vrees dat het dikke stel ze als tussendoortje nuttigt. Je loopt – of rijdt – langs wel vijftig soorten pindakaas, zestig smaken tomatenketchup en vrieskasten vol emmers ijs.

Een andere winkel is McCaffrey’s, vlak bij de school van de kinderen gelegen, zodat ik daar wel eens kom voor een vergeten onsje gehakt. Spreekwoordelijk dan, want onder een pond is niet te koop. Hier is vrijwel iedereen oud en traag. Prijzen worden uitvoerig vergeleken en na enig nadenken wordt er iets in een kar gelegd. Niet gekwakt, zoals bij Wegmans. Bij de uitgang wacht je de geestelijk zwakkere medebroeder, die alles omslachtig in papier of plastic verpakt, terwijl de caissière vrolijk kwebbelt over haar kleinkinderen.

Als laatste is er Wholefoods, eveneens een bakbeest van een supermarkt, maar dan in het segment organisch, gluten- en lactosevrij. Tofu, zeewier, tarwegras, van dat werk.

Vroeger zat er in Roermond op de Singel een reformwinkeltje. Daar ging ik wel eens met mijn vader heen voor een of ander kwaaltje waar de dokter geen raad mee wist. De magere, kale man achter de hoge toonbank verkocht zuiveringsklei voor in- en uitwendig gebruik, stinkende elixers waar je rustig van werd, of juist actief, en naar zwavel stinkende zalfjes tegen hardnekkige wratten. Darmspoelingen deed hij erbij, na openingstijd, achterin de zaak. Diezelfde producten en dezelfde sfeer trof ik bij Wholefoods aan. Voor dezelfde woekerbedragen.

Zondag stond er een interview met John Mackey, de baas van Wholefoods, in The New York Times. ‘De boerenkoolkoning’ stond boven de foto van deze magere vijftiger, die een extreme variant van het veganisme aanhangt. Hoe gaat hij om met het aannemen van personeel, was de vraag. Neemt hij ook dikke mensen aan?

Dikke mensen vermijden is onmogelijk, vertelde hij, in een land waarin 69 procent van de mensen te zwaar is. Maar gezondere mensen geven we hogere kortingen op voedsel. Wel dringen we er zeer op aan dat ‘zieke personeelsleden’ door onze total health immersion gaan. En nee, voegt hij eraan toe, hij is tegen het health care-programma van Obama, daarom stemde hij voor Romney.

Ik weet niet precies waarom, maar deze magere betweter roept hetzelfde bij me op als de reformwinkelier achter de hoge toonbank, vroeger op de Roermondse Singel.

Dr. Goodword zou daar vast het juiste woord voor weten.

Verschenen in NRC Handelsblad, 29 januari 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Hoerenlopen

‘Is het pakket al aangekomen?” Het is 13 februari 2008. Cliënt-9 belt met zijn contactpersoon bij het ‘agentschap’. Even later boekt hij onder pseudoniem kamer 871 van het Mayflower Hotel in Washington, waar ‘Kristen’ hem zal ontmoeten.

Het pakket verwijst naar de vele duizenden dollars die de gouverneur van New York Eliot Spitzer, alias cliënt-9, via allerlei omwegen aan de Emperors Club VIP, alias het agentschap, betaalde voor een uurtje seks met de 22-jarige muziekstudente Ashley Alexandra Dupré. Dit avontuur zou uiteindelijk tot zijn ondergang leiden. Een maand later sprak Spitzer, staande naast zijn vrouw en moeder van hun kinderen met een verbeten trek rond zijn mond, zijn mea culpa uit en kondigde zijn aftreden aan.

Over de periode van een paar jaar maakte Spitzer op deze omslachtige wijze zo’n 80.000 dollar over aan callgirls. Ik begin er niet aan uit te rekenen wat de seks per keer kostte, maar het staat hoe dan ook in geen enkele verhouding tot betaalde seks in Amsterdam. Niks rare tussenpersonen, je loopt langs wat ramen en gaat er bij eentje naar binnen. En als je iets meer privacy wilt, bel je een escortclub. Gewoon in de Gouden Gids te vinden. De arme Spitzer had nu eenmaal de pech in een land te wonen waar het illegaal is voor seks te betalen.

In Amsterdam woonde ik aan de keurige Herengracht. Ik had ook een uitgang aan de Korsjespoortsteeg, een uitloop van de Wallen. Dit betekende een dagelijkse plaag van hitsige mannen, toeterende auto’s en agressieve pooiers.

„Mama, waarom zitten deze vrouwen altijd in hun onderbroek voor het raam?” vroeg mijn zoon toen hij net kon praten.

Mandy, die aan de overkant haar diensten aanbood, altijd in dezelfde leren outfit, liet me ooit weten dat zij, als moeder, niet begreep dat ik mijn kroost in zo’n buurt liet opgroeien. Overigens waren alle dames dol op mijn kinderen. Vol enthousiasme breiden ze sokjes terwijl ik hoogzwanger langs hun raam pufte. Mijn zoontje kreeg zelfs een takelwagen genaamd Dickie, die met een druk op de knop zijn kraan elektrisch kon uitschuiven en omhoog richten.

Toen mijn dochtertje van zes op een dag tijdens het rolschaatsen viel, pal voor het raam van Mandy, was zij er als eerste bij en plakte kordaat een pleister op het bloedende knietje. Toen ik aan kwam rennen, zat mijn dochter te stralen op de kruk voor het raam, likkend aan een lolly.

Wij steegbewoners met een gestaag groeiend kindertal waren de dames en hun klanten liever kwijt dan rijk. Maar de buurtregisseur, onze lokale bromsnor die het erg goed met de dames kon vinden, dacht daar anders over. „Laat ze daar lekker zitten”, zei hij. „Anders verdwijnen ze maar naar achterafsteegjes en heb je geen zicht meer op wat er gebeurt.”

Spitzer begon een tweede carrière als tv-presentator. Zijn vrouw bleef bij hem, nadat ze publiekelijk de schuld van haar mans hoerenlopen op zich had genomen met de uitspraak: „De vrouw is verantwoordelijk voor de seks en ik bleef daarin in gebreke.” De inmiddels getrouwde Ashley Dupré schrijft een krantencolumn in de New York Post over, jawel, seks en is zojuist een lingerielijn begonnen. Haar singles Move ya body en What we want werden door miljoenen mensen gedownload voor 98 dollarcent.

Mandy moest uiteindelijk toch het veld ruimen, net als haar collega’s. De autovrije steeg is nu een speelplaats en een keurig doorloopje geworden dat zelfs gelovigen op zondag na hun kerkbezoek niet hoeven te mijden.

Tijdens mijn bezoek met Kerst zag ik Mandy achter een ander raam. Nog altijd in hetzelfde leren pakje.

Verschene in NRC Handelsblad, 22 januari 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Kaas en wijn

-15 1 13
Illustratie Eliane Gerrits

‘Een kaas- en wijnavond”, suggereert de moeder naast me, „zo doen we dat in Frankrijk altijd”.

Terwijl we op de kinderen wachten, opperen we wat ideeën voor een avondje waarop wij als ouders de schoolmusical gaan bespreken. Hoe kunnen we Charlie and the Chocolate Factory een onvergetelijke ervaring voor het grut maken?

Er valt een ongemakkelijke stilte. De Française, die net als ik nieuw is op school, heeft duidelijk een faux pas gemaakt.

„Wijn, op school”, zegt de muziekjuf, een jongedame die er met haar paardenstaartje uitziet alsof ze nog geen 21 is – de leeftijd waarop alcohol mag worden gedronken. „Daar is absoluut geen sprake van.”

„Maar de kinderen zijn er toch niet bij?” zegt de Française, die met haar hoge hakken en zwarte jurkje uit de toon valt tussen de andere moeders die er altijd uitzien of ze net gejogd hebben of dat straks gaan doen.

Iedereen staart de Française aan alsof ze zojuist heeft opgebiecht dat ze in haar vrije tijd als callgirl werkt, terwijl haar dochter ondertussen de telefoon aanneemt en de versnaperingen verzorgt.

„Wij hebben de plicht het goede voorbeeld te geven”, begint de juf op haar juffentoontje. „Alcohol drinken is sociaal onwenselijk gedrag.” En met een veelbetekenende blik naar de Française: „We kunnen natuurlijk alleen maar hopen dat ouders thuis ook het goede voorbeeld geven.”

Uiteindelijk wordt er besloten dat iedereen organische hapjes meeneemt en frisdrank, liefst suikervrij. De juf zucht opgelucht. Ze moet ook altijd op haar hoede zijn. Je weet maar nooit wat voor vlees je in de kuip hebt met die ouders.

Alcohol is in Amerika verboden voor kinderen tot 21 jaar. Ook thuis. Als je kind een vriendje te spelen krijgt, is het aan te raden geen drank in huis te hebben, dan wel de kinderen 24/7 te monitoren. Mocht zo’n puber als jij je omdraait stiekem wat drinken en later gesnapt worden met drank in zijn lijf, kan jij de gevangenis indraaien. En mocht hij onverhoopt iemand aanrijden, dan ben jij aansprakelijk voor doodslag.

Terwijl we buiten voor we onze auto’s instappen nog wat napraten, valt een van de moeders uit tegen de Française. „Jullie in Frankrijk denken dat het goed is om kinderen te laten wennen aan drank. Maar onderzoek heeft uitgewezen dat dit tot bingedrinken aanzet.”

„Wij kunnen juist met wijn omgaan”, schiet de Française fel terug. „Jullie niet.”

„Het is precies andersom”, zegt een andere moeder, terwijl ze met haar waterflesje zwaait – vrouwen hier hebben altijd flesjes water bij zich. „Europa loopt achter op ons.”

„Maar er wordt toch heel veel stiekem gedronken”, zegt de Française, terwijl ze met een vies gezicht haar naaldhak uit het vochtige gras trekt. „Juist omdat het niet mag, drinken ze zich allemaal lam.”

„De belangrijkste reden waarom kinderen drinken is dat hun ouders drinken”, zegt de watermoeder snibbig. „En dát is een wetenschappelijk feit.”

Terwijl ik wegrijd, denk ik aan de vele kaas- en wijnbijeenkomsten op de Amsterdamse basisschool van mijn kinderen. Zonder enige omhaal werden in de klas om drie uur de nodige flessen wijn opengetrokken, terwijl de kinderen vrolijk hun limonade wegslobberden. Om bijvoorbeeld de verjaardag van de juf te vieren, die naast de obligate douchegel ook altijd een fles wijn kreeg. Elk schooljaar eindigde steevast met lange zwoele avonden in het Westerpark, waarop de kinderen zwommen en voetbalden, en de ouders vele liters witte wijn achteroversloegen. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik de Française gepikeerd haar auto instappen. Ze denkt vast aan een heerlijke chateau in haar land van olala. Zoals ik nu aan mijn city of sin denk.

Verschenen in NRC Handelsblad, 15 januari 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Vuurwerk

-8 1 13
Illustratie Eliane Gerrits

nog alle tijd om erheen te fietsen.”

Mijn zoon, veertien – net als zijn vriendje Thomas – zit naast hem en kijkt gespannen naar het beeldscherm van de pc die op tafel staat. Het is Oudejaarsdag, een uur of drie. Om ons heen beginnen de eerste rotjes en vuurpijlen te knallen. We zijn een weekje terug in Amsterdam en ik moet weer wennen aan het gemak waarmee iedereen hier van alles mag afvuren.

Een paar jaar geleden landde er klokke twaalf een pijl op het huis aan de overkant van de gracht. Het uitgebrande staketsel staat er nog steeds, als een rotte kies in een verder prachtig gebit. Er gingen hier en daar stemmen op om vuurwerk te verbieden, maar uiteindelijk gebeurde er niks. De Nederlander mag niet gehinderd worden in zijn behoefte vuurwerk af te steken.

„Nitraten, Thomas?” vraag ik. „Weet je het zeker?”

„Het is voor de grap hoor”, zegt mijn zoon vergoelijkend.

„Nou”, zegt Thomas, „je weet maar nooit wat we allemaal nog kunnen scoren.”

Hij haalt een velletje uit de printer. „Iedereen kan in Amerika toch gewoon een geweer kopen, hè?”, vraagt hij, terwijl hij aandachtig het papier bestudeert. Hoe maak je zelf een nitratenklapper, staat erboven.

„Kom, we gaan het checken”, zegt Thomas terwijl hij opstaat.

„Wacht even”, zeg ik. „Ik vind het niet zo’n goed plan, en ik denk je ouders ook niet.”

„Mijn ouders doen niet zo moeilijk hoor”, zegt hij. „Ze vinden het juist leuk als ik eigen initiatief toon.” Ik herinner me plotseling Thomas’ grote broer die in groep 8 op de terugreis van een schoolreisje in Polen een BB-gun mee naar huis smokkelde, een replica van een machinegeweer dat kleine plastic bolletjes afvuurde. De afzonderlijke onderdelen had hij als cadeautjes ingepakt en over z’n bagage verspreid.

Ik zet een schaal oliebollen op tafel. De jongens vallen aan.

„Ik weet het niet hoor”, zegt Thomas met volle mond, „Amerika, vind je het niet eng om daar te wonen? Nu weer die schietpartij in Newtown. Een op de twee mensen heeft een geweer, zeiden ze op het jeugdjournaal. Levensgevaarlijk.”

„Nou”, zegt mijn zoontje wat bedremmeld, „ik ben eigenlijk nog niemand met een geweer tegengekomen.”

„Ze moeten die wapens gewoon verbieden”, gaat Thomas verder. „Je kunt ieder moment door een gek overhoop geschoten worden.”

„Ik ga”, zegt hij. „Zie je later, bij het vuurwerk afsteken, hè.”

Als Thomas weg is, vraagt mijn oudste of hij een BB-gun voor zijn verjaardag mag als we straks terug in Princeton zijn.

„Tuurlijk niet”, zeg ik. „Dat is hartstikke gevaarlijk en bovendien illegaal.”

„Alleen in New Jersey, hoor”, zegt hij. „Tien kilometer verderop in Pennsylvania kun je er gewoon een kopen bij elke sportwinkel. Trouwens, weet je dat je daar ook geen helm hoeft te dragen? Zelfs niet op een motor.”

Die nacht, terwijl de stad langzamerhand is gaan klinken als een oorlogszone en in de verte een ambulance loeit, kruip ik maar eens extra diep onder de dekens.

Terwijl ik in slaap probeer te vallen, denk ik aan Sam, de hond van Thomas, die in het asiel logeert. „Maak je over hem maar geen zorgen” , zei Thomas nog. „Ze draaien daar de hele nacht keiharde muziek om het knallen te overstemmen, zodat hij niet paniek raakt.”

Verschenen in NRC Handelsblad, 8 januari 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Happy Holidays

-18 12 12
Illustratie Eliane Gerrits

‘Je raadt nooit wat er bij Scott boven de eettafel hangt”, zegt mijn zoon. Hij is voor het eerst bij een nieuw vriendje thuis geweest. Een cool type, zo beschreef hij hem eerder, maar nu is hij blijkbaar van zijn stuk gebracht.

„Een schilderij van Jezus aan het kruis”, gaat hij verder. „Zo groot als de hele muur.”

„Tjonge”, antwoord ik. „Scott? Die verlegen jongen van voetbal?”

„Met druipend bloed en wonden”, zegt hij.

In Amsterdam was geen van zijn vrienden religieus, hier hangt vrijwel iedereen een geloof aan. Alleen al in Princeton, een klein stadje, zijn er vijfentwintig gebedshuizen. Die verscheidenheid aan geloven levert zelden problemen op, maar in the season to be jollyis men panische elkaar te kwetsen. In geen enkele openbare gelegenheid vind je de geringste verwijzing naar de geboorte van Jezus. Het woord Kerstmis wordt angstvallig vermeden.

Tijdens de voorbereidingen voor het traditionele buurtkerst, excuus, kinderfeest stond een goochelaar op de agenda. Nu hou ik erg van goochelaars, maar ik associeer die met alles behalve Kerst. „Liedjes”, opperde ik. „Moet er niet gezongen worden?” Oei, hier stuitte ik op een zee van weerstand. Er zijn namelijk nauwelijks geschikte liedjes te vinden waarin er toch niet stilletjes verwezen wordt naar het kindje Jezus. Nu ben ik erg voor politiek correct gedrag maar dit ging me wel erg ver. Ergens in mij begon een koppig kind te drammen om haar zin te krijgen. Zingen zouden ze, goddorie, die kinderen. Sinterklaas was ik al kwijt. Dit liet ik me niet afpakken.

Uiteindelijk kwam men met drie liedjes op de proppen. Frosty, de sneeuwpop met zijn happy soul. Jingle Bells, over hoe leuk het is om lachend in een open slee te rijden. En natuurlijk Rudolph, het rendier met zijn rode neus, de outcast, die wordt uitverkoren om de slee met de Kerstman te trekken. Vooruit dan maar.

Die middag stroomden de kinderen binnen. Ze hadden er zin in. Eindelijk brak het moment aan voor het gezang en werd het grut rond de piano verzameld. Voor de zekerheid werd er een briefje uitgedeeld met de tekst, zodat niemand per ongeluk Joy to the world! The lord is come, zou blèren. Het deed me goed dat alle aanwezige kleuters hard en vals zongen. Precies zoals het hoort. Kerstsfeer, zonder ook maar een verwijzing naar de aanleiding van dit feest. Toen danste geheel volgens de traditie Frosty het zaaltje binnen, gehuld in een watten pakje met een bezemsteel. Niemand keek ervan op, behalve mijn dochter, die dit een merkwaardige verschijning vond. „IsFrosty een man of een vrouw”, vroeg ze, waarop het wijsneuzige elfjarig meisje naast haar ernstig antwoordde: „Frosty is een he-she.”

Kijk, je kunt veel zeggen over onze politiek incorrecte Sinterklaas, met zijn zwartgeverfde slaafjes die allemaal dezelfde naam hebben, maar over zijn sekse is hij tenminste duidelijk.

De goochelaar kwam ook nog op het feestje langs, met zijn eigen kind, een mager bleekneusje in een driedelig pakje met stropdas. En nu hij er toch was, toverde hij ook meteen maar een konijn uit zijn hoge hoed.

Happy Holidays”, zei Frosty – aha, een diepe basstem – bij ons vertrek.

Voor we de donkere nacht inliepen, draaide mijn dochter zich om. „Bye Frosty”, riep ze vrolijk. „Merry Christmas.”

Verschenen in NRC Handelsblad, 18 december 2012

Posted in: Columns
Deel dit artikel
Saving Charlotte: A Mother and the Power of Intuition
Meld je aan voor af en toe een update van Pia op haar boeken, artikelen en optredens te ontvangen.