Laatste Artikelen, Columns, en andere Geschriften

Mekka voor Fitzgeraldbewonderaars

-14 5 13
Illustratie Eliane Gerrits

Zo ziet een meesterwerk er dus uit: potloodletters op groezelig kladblokpapier vol krassen en doorhalingen. Terwijl de wereld gebombardeerd wordt met de digitale 3D-Hollywoodversie van The Great Gatsby, sta ik oog in oog met het originele manuscript van F. Scott Fitzgerald. Hier geen Leonardo DiCaprio, Tiffany & Co, Brooks Brothers of andere commercie, maar de worsteling van een auteur die het succes van zijn werk niet zou meemaken.

De bebrilde curator van zeldzame manuscriptenin de Firestone-bibliotheek, een enorm gebouw in de vorm van een gotische kerk op de campus van de universiteit van Princeton, was me voorgegaan naar de catacomben waar alle originele manuscripten van Fitzgerald liggen. Met lichte tegenzin, want ik ben niet de eerste die langskomt dezer dagen.

Princeton is het mekka voor bewonderaars van Fitzgerald. Hier ging de eenvoudige katholieke jongen uit de Midwest in de jaren twintig studeren. Dat hij in deze elitaire kringen, vol glitter en glamour, geaccepteerd werd, zelfs als lid van de ultra-exclusieve sociëteit de Cottage Club, betekende alles voor hem. Hij dacht de sleutel in handen te hebben voor een geslaagd leven.

Maar datzelfde Princeton confronteerde hem juist met het standsverschil. Zo kon hij zich het verwende, rijkeluismeisje Zelda, op wie hij tot over zijn oren verliefd was, niet permitteren. Uiteindelijk maakte hij zijn studie niet af, dronk veel te veel, en stierf op zijn vierenveertigste.

Maar niet voordat hij The Great Gatsby schreef, de iconische roman over de Amerikaanse droom waarvan de oerversie me nu aanstaart. Het dunne papier zit vol vlekken. Van whisky, stel ik me voor. As, vult de curator aan. Fitzgerald was niet alleen een alcoholist, ook een kettingroker.

Traag laat mijn gastheer een 3D-brilletje door zijn gemanicuurde handen gaan. De hele cast heeft de voorvertoning hier op de bank van zijn bunker bekeken. „Wat vindt u van de film?”, vraag ik. Hij zwijgt. Het kost hem duidelijk moeite eerlijk te zijn.

The Great Gatsby is een mislukte roman over een mislukt leven door een mislukt auteur”, begint hij. „En wat maakt Hollywood ervan? Een succesverhaal dat de glamour verheerlijkt en de zwarte kant weglaat. De toevoeging great in The Great Gatsby was juist ironisch bedoeld.”

„Lees dit maar eens”, zegt hij. Het is de correspondentie tussen Fitzgerald en zijn redacteur over de titel van de roman. Fitzgerald maakte titellijstjes, zoals aanstaande ouders doen met babynamen.Under the RedWhite and BlueGold-Hatted Gatsby, The High-Bouncing LoverAmong the Ash Heaps and Millionairs,Trimalcio in West Egg. En jawel, daar zie ik ook TheGreat Gatsbyonderaan het lijstje staan. Deze laatste titel, schrijft zijn uitgever, heeft de voorkeur. Fitzgerald is het er niet mee eens. Gatsby, de man die extravagante feesten gaf waar iedereen kwam, en die zelf ondertussen in de bibliotheek boeken las, was niet Great. Dan, eindelijk neemt hij de beslissing. Het wordt Under the Red, White and Blue. Het antwoordtelegram van zijn uitgever luidt: Te laat. Stop. Manuscript reeds gedrukt.

De curator lacht. En wat een titel! Alles met betrekking tot Fitzgerald heeft twee kanten. De man die een haat-liefderelatie had met de Amerikaanse droom, met al zijn glamour, stierf straatarm en gedesillusioneerd. Hij beproefde zijn geluk tevergeefs in Hollywood, en kijk nu wat er gebeurt. Tijdens zijn leven werden er 20.000 exemplaren van de roman gedrukt, waarvan er toen hij stierf stapels onverkocht in de kelder lagen. Nu worden er elk jaar 500.000 Gatsby’s verkocht.

Het manuscript mag blijven liggen, daar gaat hij zelf straks nog in lezen, zegt de curator terwijl hij me uitgeleide doet. Het 3D-brilletje ondertussen belandt met een boogje in de prullenbak.

Verschenen in NRC Handelsblad, 14 mei 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Wiskundige met een staart

-7 5 13
Illustratie Eliane Gerrits

Het feest was volkomen over the top. Zo New Yorks als je het maar kunt krijgen. Het beroemde Plaza Hotel op Fifth Avenue was omgetoverd in een tropisch paradijs, inclusief vogels in kooien, felgekleurde strelitzia’s of birds-of-paradise-bloemen in metershoge vazen, en een cocktailbar in de vorm van een drijvend eiland.

De reden? Een verjaardagsfeestje. En wel, de 75ste verjaardag van Jim Simons. Deze wiskundige besloot na een geslaagde carrière in de wetenschap de wereld van risicovolle beleggingsfondsen in te gaan. Het leek hem toe dat wiskundige modellen daar geschikt voor zouden zijn. Veel geschikter dan intuïtie, of kennis. Hij trok de beste wiskundigen aan om deze modellen te ontwikkelen en van daaruit te opereren. Renaissance, het bedrijf dat hij oprichtte, werd een succes. De economische crisis, waarbij iedereen geld verloor, ging onopgemerkt aan hem voorbij.

Simons is nu een van de 35 rijkste mensen ter wereld. Geld dat hij voornamelijk weggeeft. Zijn favoriete goede doelen zijn autisme, want zijn dochter is autistisch; gezondheidszorg in Bali, het land waar zijn zoon Nick verdronk tijdens het duiken; een natuurreservaat vlakbij zijn huis op Long Island, waar zijn zoon Paul op de fiets verongelukte; en de wiskunde, zijn grote liefde.

Hij is altijd een beetje een wereldvreemde wiskundige gebleven, die het liefst op de achtergrond blijft. Hij citeerde ooit een zin uitAnimal Farm van Benjamin de ezel: „God heeft me een staart gegeven om de vliegen weg te slaan, maar liever nog had ik geen staart en ook geen vliegen.”

Het feest was door zijn vrouw georganiseerd. Hij liep dan ook wat verdwaasd rond tussen de honderden mensen in galajurken en smoking. De wereld van de rich and famous met hun champagnedromen en kaviaarwensen deed hem niets. Ik zag hem af en toe een slok water nemen.

Een heel jazzorkest verzorgde de muziek en er werd gedanst. Niet door hem overigens. Zoals dat op dit soort gelegenheden gaat, trok zijn leven in soundbites op een projectiescherm voorbij. Foto’s van een jonge Jim met een zonnehoedje op, trots voor de door hem opgerichte Simons Foundation, waar het eerste paaltje in de grond werd geslagen, glimmend op zijn trouwdag, als jonge vader met zijn kinderen op vakantie in de bergen. Er waren speeches van mensen die zijn moed prezen, zijn inzicht, zijn talent. Hij zat erbij of hij het liefst met zijn staart vliegen van zich afsloeg.

Ten slotte werd hij naar het podium gehaald. Iemand duwde de microfoon onder zijn neus. Van de speeches klopte niet veel, begon hij. Hij was maar een gewoon mens. De interviewer vond het blijkbaar wat kort en vroeg of hij gelukkig was. Zoveel vrienden bij elkaar. Zoveel bereikt. En dan dit fantastische feest vol vrolijke mensen die speciaal voor hem gekomen waren.

Simons zweeg even en wij keken gespannen toe. Toen wees hij naar het plafond van de hoge balzaal. Op dat moment keken alle aanwezigen omhoog. En toen zag ik het pas. Op het plafond tussen de kristallen kroonluchters waren zijn beroemde wiskundige formules geprojecteerd in een wat slordig handschrift. Een vlekkende pen, een doorgekraste zin. De eerste versie van een enthousiast jongmens die gehaast schrijft, omdat hij iets op het spoor is. De flow van de ontdekking van iets groots.

Dit, zei hij, raakte hem het diepst van al, een sterrenhemel vol formules.

Verschenen in NRC Handelsblad, 7 mei 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Sterrenstof

-2 5 13
Illustratie Eliane Gerrits

Tegenwoordig kun je bijna nergens ter wereld nog sterren aan de hemel zien staan. Er is eenvoudigweg te veel licht op aarde, waardoor het firmament in nevelen gehuld blijft. Er zijn mensen die zich daar druk over maken, die er diep in hun hart van overtuigd zijn dat naar sterren kijken een onderdeel is van ons menszijn. Een van hen is Freeman Dyson, een beroemde sterrenkundige hier in Princeton.

Elk jaar komt in dit stadje de kwestie straatverlichting aan de orde. Er is een speciale commissie die zich daarmee bezighoudt. De meningen zijn verdeeld. Meer verlichting betekent minder sterrenzicht, maar voor meer veiligheid is ook veel te zeggen. Elk jaar opnieuw weet Dyson, een fulltime werkende, bijna negentigjarige, deze commissie te overtuigen extra verlichting tegen te houden. En dat al meer dan een halve eeuw lang.

Dus is het hier in Princeton als de zon onder is aardedonker. Ook dat is een verschijnsel dat je op maar weinig plekken op aarde ziet.

Onbegrijpelijk vond ik dat. Ergerlijk vooral. Om te beginnen: autorijden is doodeng. Iedereen steekt hier namelijk zomaar zonder te kijken de straat over. Het liefst gehuld in een zwarte sweater met capuchon. Kinderen gaan er zonder meer van uit dat iedereen voor hen stopt. Dat komt omdat er elke ochtend en elke middag rondom alle scholen een leger politieagenten en klaar-overs klaar staat om alle verkeer stil te zetten voor elke landerige puber die het in zijn hoofd haalt de straat over te steken. Fietsers moeten hier weliswaar verplicht een helm op, maar van licht op de fiets heeft niemand gehoord.

Maar het leven stopt niet als de zon ondergaat. Kinderen, die niemand in het donker alleen over straat laat gaan, willen naar sport, naar clubjes, en naar hun vriendjes. En dus rijdt hier een leger rond van ouders en oppassen, aangevuld met hulpvaardige buren. Zo is míjn avond ook vanzelf ingevuld. Het begrip soccer mom komt tenslotte niet uit de lucht vallen.

Nu is voetbal, de favoriete sport van mijn oudste, nog overzichtelijk wat dit betreft. Twee keer vijfenveertig minuten, en hup de auto in. Maar mijn middelste doet lacrosse, een typisch Amerikaanse sport die duurt en duurt en duurt als het tegenzit. En zo stond ik gisteravond weer eens op mijn tot de tanden gewapende veertienjarige te wachten. Lacrosse is namelijk nogal een heftige sport. Met zwarte strepen op zijn blozende jongenswangen rende hij met zijn teamgenoten over een grasveldje, verlicht door wat tl-lampen. Met hun stokken en helmen waren het net Romeinse gladiatoren. Het eind van de wedstrijd was nog lang niet in zicht.

Ik wandelde een eindje van hen vandaan. Het was zo’n warme lenteavond, met een koel briesje. Geluiden klonken ver weg. Ik ging op het gras liggen en keek naar boven. En toen zag ik voor het eerst de sterrenhemel. Miljoenen flonkerende, kristalheldere sterren. De Melkweg, een vallende ster en hier en daar wat sterrenstof dat naar beneden dwarrelde. Ik had Dyson vervloekt, maar nu zag ik wat hij al die jaren zag. Ik voelde me groots en nietig.

Even later reed ik een moe stel kinderen naar huis. De strepen op hun wangen waren uitgelopen. Nu hun helmen af waren, waren het weer jongetjes. Traag reden we door een donkere nacht. In de huizen bewogen mensen als schimmen. De hemel schitterde na op mijn netvlies.

Verschenen in NRC Handelsblad, 2 mei 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Zwerven naar Einstein

-23 4 13
Illustratie Eliane Gerrits

Zo vonden ze hem. Slapend voor het gebouw waarin zich ooit het kantoor van Einstein bevond. Een dekentje over zijn voeten, zijn gezicht schuilend in zijn capuchon. Een zwerver bij het Institute for Advanced Study in Princeton.

Wat te doen? Iedereen liep er langs, niemand durfde iets te zeggen. Maar toen hij er de volgende ochtend nog lag, sprak de bewaker hem aan. Of hij misschien iets zocht?

Iets zocht, vroeg hij? Nee, hij had het juist gevonden.

En wat was dat dan wel?

Einsteins kantoor natuurlijk. Daar was hij toch? Hij herkende het van foto’s. Daarvoor had hij de grote reis gemaakt. Hij kwam uit Washington State, aan de westkust.

Hoe hij er gekomen was? Hij had een kompas. Kijk , hier. Uit zijn broekzak werd een oud roestig exemplaar gevist.

Lopen, hij had veel gelopen. Af en toe de Greyhoundbus, als hij wat geld bij elkaar had gesprokkeld.

Hoe lang hij onderweg was? Hij had geen idee. Het deed er ook niet toe, wat ertoe deed was dat hij er was.

Hij deed niemand kwaad. Hij was er gewoon. Hij wilde niet mee naar het restaurant, hij bleef liever zitten. Dankbaar at hij de lunch die hem gebracht werd. En het avondeten. Het ontbijt de dag erna.

Tot er vragen kwamen. Hoe moest dat met deze man? Dit was toch een onhoudbare situatie?

De bewaker met wie hij een band had gekregen, vroeg hem wat zijn plannen waren. Hij kon daar toch niet blijven.

De man begreep de vraag niet. Eindelijk, na een lange reis, was hij bij het kantoor van Einstein. Wat viel er verder nog te willen? Hier had hij altijd willen zijn. Als jongen al, toen hij nog op de middelbare school zat en goede punten haalde voor natuurkunde. En later, op Yale. Een veelbelovende student. E is mc kwadraat. Hij snapte het allemaal. De dromen van toen waren niet uitgekomen. Daar kon hij ook niets aan doen. Hij zat te veel aan de verkeerde kant van het autismespectrum. Voor zichzelf zorgen lukte niet. Toen zijn ouders dood waren, was er niemand meer bij wie hij terechtkon. Hij begon te zwerven.

Maar hij hield zijn vak bij. Wanneer hij in de buurt van een bibliotheek was, ging hij naar binnen en las de Scientific American. Hij had ook zijn eigen theorie, maar niemand die er iets in zag. Einstein zou hem begrepen hebben. Die zat ook ergens op het spectrum.

De man ging staan. Totaal versleten schoenen aan zijn voeten. Zijn haar in klitten, maar zijn ogen nog altijd levendig. Zal ik je echt niet de relativiteitstheorie uitleggen?

Na twee dagen kocht de bewaker schoenen voor hem. En nieuwe kleren. En een ticket naar de stad waar hij vandaan kwam. Hij had nog een zus. Niet dat ze hem begreep. Ze wist niet wat het betekende om na te denken over kleine deeltjes. Als hij vroeger het raam opendeed om naar de sterren te kijken en zich afvroeg waarom ze niet naar beneden vielen, klaagde zij dat het koud werd. Maar toch, zijn zus. Ze had een huis.

Die middag stond er een auto te wachten op hem. Onwennig stond hij op zijn nieuwe schoenen. De versleten hield hij in zijn hand. Hij verwisselde ze nog even. De oude zaten toch beter. De stinkende deken hing om zijn nek. De nieuwe deken, nog in het plastic, liet hij op het grasveld liggen.

Toen de auto wegreed, keek de zwerver om. Een laatste blik op het kantoor van zijn grote held.

Verschenen in NRC Handelsblad, 23 april 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Beste buurman

-16 4 13
Illustratie Eliane Gerrits

Beste buurman, Hoe maakt u het, sinds de laatste keer dat ik u zag? Onze koffers gepakt, de poezen angstig piepend in hun reismandje, de deur achter ons dichtgetrokken. Op weg naar Schiphol zwaaide u ons uit tot we de hoek omgingen.

Dat is nu een half jaar geleden. Dag huis, dag straat, dag geliefden, dag vrienden. Een vriendin stuurde me vanmorgen een website waarop onze vroegere woning werd aangeprezen. Daar stond het. Vijf verdiepingen aan die oude gracht, waar mijn leven zich twintig jaar lang afspeelde. Ik moest even slikken. De slaapkamer, waar alle drie mijn kinderen werden geboren, de schots en scheve, verzakte keuken in het souterrain waar het altijd een komen en gaan van kinderen was, en de zolder met de plankenvloer, waarop in de zeventiende eeuw de vaten levertraan werden opgeslagen. Eeuwen later klaagde men nog over de stank.

Ik hou van oude huizen, huizen met een lange geschiedenis. Het herinnert me eraan dat het nu míjn tijd op aarde is om er iets van te maken. Er waren voorgangers en er zullen weer nieuwe mensen komen. Maar nu ben ik aan de beurt.

Ik schrijf dit vanuit mijn nieuwe huis, duizenden kilometers ver van u vandaan. Op een bank voor de brandende haard. Daarboven hangt een schilderij van ons oude huis. We noemen dit ons heimweeschilderij. Het is een venster waardoor we naar ons oude leven kijken.

Alles is hier anders. Neem nu onze rode katten. In Amsterdam hadden ze één boom, een iep waar ze bij mooi weer wel eens door de voordeur naar ontsnapten, waarna ze meestal door u in hun nekvel werden gegrepen. Tot die iep werd omgezaagd omdat hij de iepenziekte had, hier overigens Dutch elm disease genoemd.

Onze dochter Charlotte schreef nog een protestbriefje dat ze op de boom prikte. „Beste houthakker, hak mij niet om. Dan kan het meisje dat hier woont niet meer naar me kijken. Ik ken haar al vanaf haar geboorte en ze vertelt me al haar geheimen.”

Het mocht niet baten, de boom eindigde in de versnipperaar. Gelukkig wist u net op tijd het verregende briefje te ontfutselen aan de vergetelheid.

Hier in Princeton kunnen de katten in een heel bos buiten spelen. In het begin waren ze daar een beetje bang van, net zoals wij, voormalige stadsmensen. Al die natuur, wat moet je daar toch mee.

O ja, het sloepje van onze zoon Matthijs is half in de gracht gezonken. Misschien kunt u daar toch nog even naar kijken. Hij was er zo trots op.

Dat ons huis nog geen nieuwe bewoners heeft gevonden, zegt vast iets over de economie. Toen wij zo’n twintig jaar geleden een huis zochten, was er niets te vinden. Maar stiekem vind ik het ook wel fijn dat er nog niemand anders woont. Dat betekent dat het huis nog steeds onze geur heeft, de echo van onze stemmen erin klinkt, onze voetstappen nog op de vloer staan.

Ik denk vaak aan die zolder daar. Het tochtte er, door het spant heen. In de zomer kon de temperatuur enorm oplopen. Duiven maakten luid koerend nesten bij het luik. Op onbewaakte ogenblikken ging ik daar wel eens heen. Dan strekte ik me uit op de vloer en sloot mijn ogen.

Het was dan alsof ik hoog boven de stad zweefde. Ik weet niet waar het precies aan lag, maar dat waren magische ogenblikken. Zo’n plek heb ik hier nog niet gevonden.

Verschenen in NRC Handelsblad, 16 april 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Having it all

-9 4 13
Illustratie Eliane Gerrits

Advies aan de jonge vrouwen van Princeton: de dochters die ik nooit had, was de titel van een ingezonden brief deze week in deThe Daily Princetonian, de universiteitskrant die studenten iedere dag vullen. „Dit is wat niemand je vertelt”, gaat de schrijfster, een oud-studente hier, verder. „Vind een echtgenoot voor je afstudeert. Later is het aanbod van geschikte mannen namelijk schaars.”

Deze politiek incorrecte brief houdt de gemoederen hier bezig. De website van The Daily Princetonian crashte en is nog steeds uit de lucht. En dat terwijl men nog niet uitgesproken was over de beslissing van Princeton-hoogleraar Anne-Marie Slaughter. Zij zegde haar baan als topadviseur van Hillary Clinton op om haar ontsporende veertienjarige zoon te helpen. Er was een moeder thuis nodig, legde ze uit in een artikel in The Atlantic genaamd Why women still can’t have it all, dat als een virus de wereld rondging. Ze was er zelf volledig door verrast dat haar afwezigheid doordeweeks een te zware wissel trok op haar gezin.

Anne-Marie is gewoon met de verkeerde getrouwd, vinden sommigen. Hij is een sukkel die haar niet genoeg steunde. ‘Die sukkel’ is trouwens zelf ook fulltime hoogleraar hier.

Anderen zijn van mening dat Slaughter flinker had moeten zijn. Bijvoorbeeld door te luisteren naar wat de topvrouw van Facebook, Sheryl Sandberg, zegt in haar zojuist verschenen boek Lean In, namelijk: niet zeuren, gewoon doen. Iedereen wacht op Slaughters boek waarin ze haar keuze voor haar gezin uitgebreid gaat toelichten. Maar, terwijl ik dit schrijf, komt er een persbericht binnen waarin ze aankondigt dat ze toch weer in Washington gaat werken.

En dan is er nog een boek dat discussie oproept. The Martian’s Daughter is de autobiografie van de bijna tachtigjarige Marina von Neumann, die hier als enig kind van de beroemde wiskundige John von Neumann opgroeide. Having It All heet het laatste hoofdstuk, maar het had net zo goed de titel van het hele boek kunnen zijn. Het is één grote lofzang op haar carrière. Hoe ze ondanks de vrouwonvriendelijke jaren vijftig hoogleraar werd aan de universiteit van Michigan, vervolgens economisch adviseur van president Nixon en daarna topvrouw bij General Motors. In alle functies was zij de eerste vrouw.

Tijdens haar boekpresentatie noemde ze haar man, die haar vanaf de eerste rij vriendelijk toeknikte, de beste carrièrekeuze van haar leven. Door hem heeft ze alles gehad: het stabiele huwelijk, de succesvolle kinderen en veelbelovende kleinkinderen, de glanzende loopbaan. Terwijl zij in haar kantoor mijlenver weg van haar gezin haar rapporten schreef, reed hij de kinderen naar basketbalwedstrijden, doktersafspraken en schoolfeestjes.

Having it all: Marina von Neumann wel. Sheryl Sandberg, vast ook. Anne-Marie Slaughter, ondanks haar cri de coeur, misschien toch nog. Having it all hangt blijkbaar af van de goede man. Precies wat de briefschrijfster in The Daily Princetonian beweert.

Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid, stond er op posters in mijn klaslokaal. Later werd het: Een slimme meid krijgt haar kind op tijd. Vrouw, kind, carrière. Eenvoudig was het nooit.

Maar het advies van de briefschrijfster parachuteert ons terug in de jaren vijftig, waar meisjes vooral gingen studeren om een man aan de haak te slaan. Een slimme meid vindt haar man op tijd.

Verschenen in NRC Handelsblad, 9 april 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Stalins dochter

-2 4 13
Illustratie Eliane Gerrits

“In de kamer hiernaast stond de piano”, zegt de vriendelijke man van tegen de zeventig. Ik zit met hem aan de keukentafel, als hij tussen twee kopjes thee achteloos laat vallen dat in zijn huis ooit de dochter van Josef Stalin heeft gewoond.

„Onze dochters zaten samen op pianoles”, gaat hij verder. „Svetlana en ik zaten op zondagmiddagen naast elkaar op houten stoeltjes naar hun opvoeringen te luisteren.”

Ik probeer het me voor te stellen, de dochter van Stalin, hier, in dit alleraardigste groen geverfde huisje aan het einde van een doodlopende straat.

Natuurlijk, als ik dat wilde, mocht ik ook boven een kijkje nemen. „Niet dat er iets te zien is, hoor.” Haar slaapkamer was op zolder. Muren met bloemetjesbehang. Een planken vloer, een eenpersoonsbed, een nachtkastje met een boek erop. Een schilderijtje aan de muur. Iets met wolken. Ik probeer me Svetlana in deze kamer voor te stellen, de bekendste communistische dochter.

Ze kwam hier in 1967 met de hulp van president Lyndon Johnson, die als eis stelde dat ze geen ruchtbaarheid aan haar ontsnapping gaf. Maar toen ze in New York landde, gaf ze nog op het vliegveld een persconferentie. Ze kwam in Princeton terecht dankzij haar goede banden met George Kennan, de beroemde diplomaat, historicus en kenner van de Sovjet-Unie. Hier verbrandde ze publiekelijk haar Russische paspoort. Nooit wilde ze meer terug naar dat vreselijke land van haar vreselijke vader. De kop destijds in Esquire luidde: „Hoe de dochter van Stalin communisme afzwoor en God, Amerika en appeltaart omhelsde.”

Het verhaal gaat dat Kennan haar ooit meenam naar een collega hier die getrouwd was met een groothertogin uit de Romanov-dynastie, een direct familielid van de Russische tsaar. Net op dat moment van aankomst bleek de afvoer in de keuken verstopt. Zonder ook maar een seconde te aarzelen, stroopte Svetlana haar mouwen op en kroop als een echte loodgieter onder het aanrecht. Dat Stalins dochter ooit haar afvoer zou komen ontstoppen, was wel het laatste dat de groothertogin had verwacht.

Ik draal nog wat in de slaapmaker. Was er iets dat hij zich herinnerde, misschien iets dat hij vond, dat ze achterliet? Hij schudt zijn hoofd. Niets. Alleen een foto, van haar en haar vader. Die had ze met een punaise boven het bed geprikt.

De foto laat me niet los. Als een peuter wordt ze door haar vader in zijn armen gedragen, terwijl ze een jaar of negen is. Een onhandig groot lijf, een ouwelijk gezicht. Hij laat niet merken dat ze te zwaar is om zo gewiegd te worden. Als ik langer naar de foto kijk, zie ik ook een man die trots zijn jeugdige bruid over een drempel draagt. Vader-dochterrelaties zijn zelden eenvoudig, noch eenduidig, maar van deze foto straalt de ongemakkelijkheid af. Een vreemd soort afhankelijkheid. „Hij noemde haar mijn kleine spreeuw”, zegt ze ergens in een interview. „Ik denk dat hij van me hield omdat ik rood haar en sproetjes had, net als mijn moeder.” Haar moeder pleegde zelfmoord toen Svetlana zes was.

Het vredige Princeton gaf haar geen rust. Ze trok van huwelijk naar huwelijk, van land naar land, ondertussen steeds van naam veranderend. „Ik ben altijd de gevangene van mij vader”, laat ze ergens vallen. Svetlana Iosifovna stierf in Wisconsin op 83-jarige leeftijd als Lana Peters.

„Je kunt je noodlot niet betreuren”, zei ze ooit, „maar ik had het niet erg gevonden als mijn moeder met een timmerman was getrouwd.”

Verschenen in NRC Handelsblad, 2 april 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Puppylessen

-26 3 13
Illustratie Eliane Gerrits

Sinds kort gaan we zondagmiddag met het hele gezin naar school. We zitten op kleine blauwe krukjes in een kring en kijken naar de avonturen van onze nieuwste aanwinst: een golden retriever.

Het schoollokaal bevindt zich in een enorme dierenwinkel, in een nog grotere mall, omringd door een onmetelijke parkeerplaats. Op een van gekko’s, papegaaien en hamsters afgeschermd stukje betonnen vloer doet een alleraardigst meisje enorm haar best onze twaalf weken oude puppy op te voeden.

Hondentraining is niet voor de hond, zoals ik altijd dacht, maar voor de eigenaars. Het blijkt de beste manier om een doorsnede van de Amerikaanse samenleving te ontmoeten.

Zo is daar Mikey de pitbull. Zijn bazin is een latino vrouw met twee identieke tienjarigen die alleen maar oog hebben voor hun mobieltjes. Ze heeft een tattoo in haar nek – een teken van haar gang, neem ik aan – draagt laarzen tot ver over haar knieën, en verder alleen maar dure kleding als Guess- broeken en Dolce&Gabbana-shirtjes. Haar kleine schatje beet de eerste keer direct de hondentrainster in haar hand. Oppassen dus, zowel met hond als bazin.

Dan is er Princeton, de schoothond van een oudere mevrouw die zo weggelopen is uit het tv-programma Jersey Shore. Nepleren leggings, sleehakjes, enorm lange nagels en big hair. Haar nasale stem gelardeerd met hoge gilletjes snijdt dwars door je heen. Ze giebelt de hele tijd en begrijpt maar weinig van de instructies. Dat is ook niet de reden waarom ze er is. Het is gewoon hartstikke gezellig in de puppyklas. Haar knuffelhondje denkt er net zo over.

Daarnaast zit een alleraardigste immigrantenfamilie uit India. Vader met gestreken overhemd, de spil-in-het-gezin-moeder en hun twee frisse, oplettende en keurig articulerende kinderen die het nog ver zullen schoppen in de wereld. Hun pluizige Archie is beduidend minder wakker.

Ten slotte, het irritante hondje Watson. Zijn bazin laat om de haverklap vallen dat haar pup hoogbegaafd is. Vooral als hij weer eens een simpele instructie als zitten of liggen niet weet uit te voeren. Dergelijke opdrachten zijn veel te eenvoudig voor zijn complexe brein, stelt ze dan beslist vast. De bazin, die zichzelf steeds mama noemt tegen haar puppy, heeft van alles het allerduurste. Een lederen riem, organische hondensnoepjes, een geruit truitje van Burberry – niets is goed genoeg voor Watson. Zelf loopt ze er slonzig bij in de meest vormeloze broeken en shirts. Een kapper heeft ze in geen jaren bezocht.

Door de harde achtergrondmuziek heen schreeuwt trainster Kaitlyn van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat haar instructies, voor 8 dollar per uur. „Denk vanuit je hond”, roept ze voortdurend. „Verplaats je in zijn brein.” We kijken elkaar aan en vragen ons af hoe we dat moeten doen. Onze pup, de meest speelse van het stel, kan zich nauwelijks concentreren, en valt halverwege steevast van uitputting in slaap.

Het interessantste schouwspel speelt zich echter niet in onze kring af, maar daarbuiten. Tijdens de les worden we getrakteerd op een rariteitenkabinet van omstanders. Haveloze eenlingen, zielige griezels die ontsnapt lijken uit een inrichting. Stelletjes regelrecht weggelopen van de set van een Fellini-film. Chips etende grootouders met een stuk of twaalf kleinkinderen in hun kielzog.

Het zijn de mensen die op de zondagmiddag als uitje naar de dierenwinkel gaan. Ze verdringen zich om het hek om plaatsvervangend met de puppylessen mee te doen. Ze moedigen de puppy’s aan en applaudisseren als ze iets goed doen. Als je ze na afloop je hond laat aaien, bedanken ze je uitvoerig. „You made my day.” En zo kan het gebeuren dat je in dit merkwaardige land op zondagmiddag opeens door een intense treurigheid wordt bevangen.

Verschenen in NRC Handelsblad, 26 maart 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Oud geld

-19 3 13
Illustratie Eliane Gerrits

“Wil je weten wie hier allemaal rondlopen?” De dunne vrouw die me aanspreekt, draagt de ultieme little black dress. Zo een die er bedrieglijk eenvoudig uitziet, maar een jaarsalaris van een postbode kost. Haar gezicht staat strak in de botoxplooi, haar nagels en haren zijn done. Ik ben nog steeds verrast als wildvreemden me aanspreken alsof ik hun beste vriendin ben.

„Graag”, zeg ik, terwijl ik een natte pluk haar uit mijn gezicht veeg. Buiten giet het pijpenstelen. Manhattan is vol plassen, rondscheurende vuilnisauto’s en verregende toeristen. Ik ben in het Museum of Modern Art voor de David Rockefeller Award, ingesteld om een succesvolle filantroop in het zonnetje te zetten.

Filantropie op dit niveau is een wereld op zich. Honderd van de allerrijksten hebben met elkaar afgesproken om de helft van hun vermogen weg te geven. Deze Giving Pledge is ook door David Rubenstein, de winnaar van vandaag ondertekend. Rubenstein, die zijn vermogen verdiende met het opkopen en winstgevend maken van bedrijven, heeft al honderden miljoenen weggegeven. En dat is pas het begin.

Mijn elegante reisgids door dit ons-kent-ons-land wijst met een subtiele kinbeweging wat mensen aan die ze de moeite waard vindt. „Kijk, daar heb je David Gergen, de bekende CNN-commentator. Geen flauw idee wat hij hier doet.”

Ze nipt van haar champagne. „O ja, en die man, die daar naast Mary-Kate Olsen staat, dat is Olivier Sarkozy, de broer van Nicolas.”

Ik staar naar de man die als twee druppels water op zijn broer lijkt, behalve dat hij bijna twee meter lang is. Voortdurend raakt hij de frêle schouders aan van het voormalige kindsterretje dat nu een stijlicoon is. „Nu begrijp je waarom Nicolas altijd plateauzolen draagt”, zegt mijn gids vilein. Ze sleurt me verder door het zaaltje, zonder champagne te morsen.

„En natuurlijk hoef ik je niet uit te leggen wie dit is”, zegt ze. Vol bewondering staart ze onze gastheer aan, de bijna honderdjarige David Rockefeller naar wie de award is vernoemd. Hij draagt een sierlijke strik onder zijn aristocratische kop.

„Hij groeide hier op”, zegt ze. „Zijn ouderlijk huis stond waar nu de beeldentuin van het MoMA is. Zijn moeder had op de zevende verdieping haar eigen galerie met moderne kunst.” Dan verdwijnt ze, even plotseling als ze verscheen. Even later zie ik haar verderop luchtzoenen uitdelen.

Tijdens de lunch beginnen de plechtigheden. David Rubinstein neemt het woord. Hij begint over zijn bescheiden achtergrond te vertellen. „Mijn vader verdiende als klerk op het postkantoor zijn hele leven nooit meer dan 7.000 dollar per jaar. We leefden heel eenvoudig en ik had altijd honger.”

Sarkozy, die een eindje verderop zit, houdt nauwlettend in de gaten of het dunne meisje aan zijn zijde niet alleen aan haar champagne nipt, maar ook iets eet. Mijn gids kijkt niet eens naar haar bord.

Selfmade man Rubenstein kan het niet nalaten een grap te maken in dit gezelschap van New Yorks oud geld: „Eigenlijk heette mijn familie ook Rockefeller. Maar toen zij uit de boot op Ellis Island voor het immigratieloket stonden, werd hun verteld dat ze beter een mooie joodse naam konden kiezen.” Patriarch Rockefeller, die geboren werd als kleinzoon van de rijkste man die ooit heeft geleefd, kan er hartelijk om lachen.

Om een uur of drie stap ik uit het museum naar buiten. Het regent nog steeds. Op de stoep zit een zwerver met een vuilniszak als jas. Voor zijn ontzettend smerige blote voeten ligt een stukje karton met daarop een verregend: hungry.

De wereld van de jonge Rubenstein.

Verschenen in NRC Handelsblad, 19 maart 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel

Vrouwenarts

-12 3 13
Illustratie Eliane Gerrits

“Kom nu eens to the point”, onderbrak mijn baas aan het hoofd van de tafel mijn collega. „We hebben geen zeeën van tijd. Er zijn nog veel meer agendapunten.” Ze was nog zakelijker, doortastender en scherper dan anders.

„Is alles genotuleerd?”, vroeg ze haar secretaresse aan het eind van de vergadering. Die knikte en legde met een zucht haar pen neer.

„Op naar de volgende afspraak”, zei mijn baas. Toen ze opstond, veerde de gouden ketting op en neer tegen haar hoogzwangere buik. Ze was gehuld in een op maat gesneden, rode powersuit.

„Hoe laat word je verwacht?”, vroeg ik.

„Om drie uur”, zei ze. En met een blik op haar horloge: „Ik moet opschieten.”

„Vind je het niet eng?”, vroeg ik nog.

„Helemaal niet”, zei ze. „Wat is er eng aan? Je merkt er niets van en voor je het doorhebt, houd je je kindje vast.”

Verbluft keek ik haar door het raam na, terwijl ze enigszins moeizaam de auto instapte. Haar koffertje met een verschoninkje en de eerste babykleren lag al klaar op de achterbank.

Deze cultuurschok had ik twintig jaar geleden, toen ik ook in Amerika woonde en werkte. Het kleurde mijn ideeën over zwangerschap en bevallen.

Ik denk terug aan mijn vroegere baas, terwijl ik voor mijn jaarlijkse controle bij de vrouwenarts ben. De huisarts weigerde namelijk om naar alles down there zelfs maar een vinger uit te steken, zelfs voor een routinecontrole voor de verzekering. „Ik vul toch ook niet je kies als je een gaatje hebt”, was zijn weerwoord.

„Dus je bent vaginaal bevallen?”, vraagt de jonge dokter met een blik op de door mij ingevulde lijst. Ze kijkt erbij alsof dat een wereldwonder is.

„Ja”, zeg ik. „Thuis, in mijn eigen bed.”

De Nederlandse vroedvrouw wist meteen al bij het eerste bezoek mijn Amerikaanse ideeën over een ziekenhuisbevalling uit het hoofd te praten.

„Maar hoe deed je dat dan met de pijnbestrijding?”, vraagt de jonge dokter verder.

„Niks”, antwoord ik. „Wij Hollandse vrouwen zijn stoer. We laten ons niet afschrikken door pijn.”

„Ongelooflijk”, zegt ze. „Middeleeuws.”

„Mijn slaapkamer was op de vijfde verdieping van een heel oud tochtig huis”, ga ik ongevraagd verder. Ik krijg er plezier in haar reactie te zien. „Je kon er alleen maar komen via een smalle wenteltrap. Het beviel zo goed, dat ik het daarna nog twee keer precies zo gedaan heb.”

Ze kijkt naar me alsof ik uit een derdewereldland in crisis kom. Hier kan ze echt niet bij.

„We doen het goed hoor”, zeg ik, „qua veiligheid. Al die artsen aan het bed, de verdoving, dat maakt het niet per se veiliger.”

„Zoiets belangrijks doe je toch niet thuis”, zegt ze streng. „Stel dat er iets gebeurt. Dan wil je toch de beste medische zorg hebben. Hoe haalde je het in je hoofd?” De wanden hangen vol met haar kersverse diploma’s, allemaal keurig ingelijst.

Min of meer ter geruststelling vertel ik maar dat Nederlandse vrouwen steeds meer op zijn Amerikaans bevallen.

„Zie je wel”, zegt ze, „vooruitgang valt nu eenmaal niet te stoppen.”

Ik hou mijn mond maar. Op weg naar huis denk ik vol weemoed terug aan die eerste nacht op de vijfde verdieping in mijn oude huis. Terwijl beneden de vroedvrouw de deur achter zich dichttrekt, kruipen we voor het eerst met z’n drieën onder het grote dekbed.

Verschenen in NRC Handelsblad, 12 maart 2013

Posted in: Columns
Deel dit artikel
Saving Charlotte: A Mother and the Power of Intuition
Meld je aan voor af en toe een update van Pia op haar boeken, artikelen en optredens te ontvangen.